Eiseres heeft op 13 november 2025 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit genomen, waarop eiseres het UWV op 9 februari 2026 in gebreke stelde. Hoewel eiseres het beroep te vroeg indiende, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond omdat het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen.
Het UWV verzocht om een beslistermijn van 30 weken vanwege een tekort aan verzekeringsartsen, maar de rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt.
De rechtbank veroordeelt het UWV tevens tot vergoeding van het griffierecht van €54 en proceskosten van €467 aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 mei 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.