Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4327

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1792
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:15 AwbArt. 6.2 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt tijdige beslissing en dwangsom bij niet tijdig beslissen op aanvraag aanvullende compensatie Wht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 18 februari 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van zes maanden, die uiterlijk op 18 februari 2026 afliep, niet rechtsgeldig is verlengd door verweerder. Eiseres heeft verweerder op de laatste dag van de beslistermijn ingebreke gesteld, wat volgens jurisprudentie geldig is. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.

De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, conform eerdere uitspraken, wat betekent dat verweerder uiterlijk 14 april 2027 moet beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor elke dag overschrijding. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.

De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te laten staken tijdens alternatieve trajecten en benadrukt dat dergelijke afspraken expliciet moeten worden gemaakt en gemeld in de procedure. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt verweerder uiterlijk 14 april 2027 alsnog te beslissen en legt een dwangsom en kostenveroordeling op wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 18 februari 2025 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 17 februari 2025 en verweerder heeft deze op 18 februari 2025 ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes maanden. [2] Niet gebleken is dat de beslistermijn rechtsgeldig is opgeschort. [3] Verweerder had dus uiterlijk op 18 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 18 februari 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op dezelfde datum ontvangen. De termijn waarbinnen verweerder moest beslissen was toen nog niet voorbij. 18 februari 2026 was namelijk de laatste dag van de beslistermijn van verweerder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) oordeelde op 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:724) dat een ingebrekestelling, die per abuis een dag te vroeg is ingediend, toch geldig is. De Afdeling verwees hierbij naar paragraaf 1.1 van de Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Daarna zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift verzoekt verweerder primair om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 [4] en subsidiair om in navolging van de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2025 [5] , de beslistermijn te bepalen op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om compensatie voor de werkelijke schade is verstreken.
4.3.
Een meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 oktober 2025 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. [6] De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.
4.4.
Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders, na indiening van hun aanvraag, (1) bedenktijd krijgen om te bepalen of zij kiezen voor een alternatief traject dat kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst en (2) hebben verzocht of zijn opgenomen in een dergelijk alternatief traject en daarmee niet meer in de wachtrij staan voor afhandeling van hun schade bij de commissie werkelijke schade.
4.5.
De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Het zich beraden over of beproeven van een minnelijke regeling hangende de behandeling van een aanvraag brengt niet mee dat ouders niet meer in afwachting zijn van een besluit op die aanvraag. Dat kan anders zijn indien partijen dit anders regelen of afspreken. Indien daarvan sprake is, ligt het op de weg van beide partijen om in het beroepschrift of verweerschrift van een concrete zaak daarvan melding te maken en duidelijk te vermelden over welke periode de beslistermijn niet loopt. De rechtbank zal in een dergelijke zaak dan beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn op grond waarvan de beslistermijn een bepaalde periode niet heeft gelopen of loopt.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 18 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 14 april 2027 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk 14 april 2027 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 19 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
3.Artikel 4:15 van Pro de Awb.