Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 18 februari 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van zes maanden, die uiterlijk op 18 februari 2026 afliep, niet rechtsgeldig is verlengd door verweerder. Eiseres heeft verweerder op de laatste dag van de beslistermijn ingebreke gesteld, wat volgens jurisprudentie geldig is. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, conform eerdere uitspraken, wat betekent dat verweerder uiterlijk 14 april 2027 moet beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor elke dag overschrijding. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.
De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te laten staken tijdens alternatieve trajecten en benadrukt dat dergelijke afspraken expliciet moeten worden gemaakt en gemeld in de procedure. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 mei 2026.