ECLI:NL:RBZWB:2026:4889

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/8350 ZW en BRE 24/8351 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 30 ZWArt. 33 ZWArt. 7:2 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewetuitkering en terugvordering voorschotten wegens arbeidsgeschiktheid

Eiser vordert een Ziektewetuitkering en bestrijdt de terugvordering van voorschotten door het UWV. De arbeidsovereenkomst van eiser werd beëindigd vóór de eerste ziektedag, waardoor hij volgens het UWV niet verzekerd was voor de Ziektewet. De rechtbank toetst of eiser op de maatgevende datum, 18 maart 2024, arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk als machinebediende.

De medische beoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige concludeert dat eiser geschikt was voor zijn werk. Hoewel eiser psychische klachten ervaart, zijn deze niet objectief medisch onderbouwd op de datum in geding. Eiser heeft pas na die datum behandeling gezocht en gebruikte geen medicatie. Het UWV heeft de voorschotten teruggevorderd omdat de uitkering onverschuldigd was betaald.

Eiser stelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld en dat er dringende redenen zijn om terugvordering te voorkomen, onder meer vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en de rol van het UWV. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was, het ontbreken van een hoorzitting niet tot nadeel van eiser leidde, en dat geen dringende redenen voor kwijtschelding van terugvordering aanwezig zijn.

De beroepen worden ongegrond verklaard. Het UWV heeft terecht geweigerd de ZW-uitkering toe te kennen en de voorschotten teruggevorderd. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd en de voorschotten heeft teruggevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8350 ZW en BRE 24/8351 ZW

uitspraak van 2 juni 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen aan eiser en de terugvordering van verstrekte voorschotten op de ZW-uitkering. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een ZW-uitkering toe te kennen en de verstrekte voorschotten heeft teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiser een ZW-uitkering te verstrekken en terecht is overgegaan tot terugvordering van de verstrekte voorschotten. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft op 25 oktober 2022 een arbeidsovereenkomst ondertekend waarbij hij op 1 november 2022 in dienst zou treden. Op 26 oktober 2022 heeft er een geplande liesbreukoperatie plaatsgevonden. Vanwege complicaties is eiser enkele dagen later, maar vóór 1 november 2022, weer opgenomen in het ziekenhuis. De ex-werkgever heeft op 31 oktober 2022 besloten de arbeidsovereenkomst met eiser te beëindigen. Op 2 november 2022 is eiser daarover bericht. Op 3 november 2022 heeft de ex-werkgever bij het UWV gemeld dat eiser ziek uit dienst is gegaan.
Het UWV heeft met het besluit van 30 oktober 2023 geweigerd per 25 oktober 2022 aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Met het besluit van 21 februari 2024 is het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat eiser niet verzekerd was voor de ZW, omdat hij op de eerste ziektedag niet in dienst was bij de werkgever en hij ook in de vier weken voorafgaand aan de eerste ziektedag geen dienstverband of uitkering had. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 18 maart 2025 ongegrond verklaard. [1] Met haar uitspraak van 4 maart 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) deze uitspraak bevestigd. [2]
2.1.
Eiser is werkzaam geweest als machinebediende voor gemiddeld 32 uur per week via een uitzendbureau bij [werkgever] . Voor dat werk is hij op 18 maart 2024 uitgevallen vanwege psychische klachten. Op 24 maart 2024 is hij uit dienst getreden, omdat zijn arbeidscontract afliep.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 20 mei 2024 (primair besluit I) geweigerd per 18 maart 2024 aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 (bestreden besluit I) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het UWV heeft met het besluit van 23 april 2024 een ZW-uitkering verstrekt op voorschotbasis. Het UWV heeft met het besluit van 24 mei 2024 (primair besluit II)
het verstrekte voorschot over de periode van 25 maart 2024 tot en met 19 mei 2024 van € 2.974,- teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 (bestreden besluit II) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep tegen bestreden besluit I is geregistreerd onder zaaknummer BRE 24/8350 ZW. Het beroep tegen bestreden besluit II is geregistreerd onder zaaknummer BRE 24/8351 ZW.
3.2.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [gemachtigde] namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Grondslag bestreden besluit I
5. Aan het bestreden besluit I ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit I juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt in dit geval verstaan de laatst verrichte arbeid.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het werk als machinebediende als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW moet worden aangemerkt.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit I is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV. De arbeidsdeskundige b&b heeft op verzoek van de verzekeringsarts b&b eisers eigen werk omschreven.
7.1.
De arbeidsdeskundig b&b heeft in zijn rapport van 16 september 2024 overwogen dat de hoofdtaken van eiser als machinebediende bestonden uit: het bedienen van de machine voor het laden van [flessen] , het verhelpen van storingen in de machine, het opruimen van gevallen pallets met [flessen] en het zorgdragen voor een vlot productieproces. De hieruit voortvloeiende kenmerkende functiebelasting is:
  • zelfstandig en doelmatig handelen;
  • deadlines/productiepieken, soms snel ingrijpen tijdens een machinestoring;
  • persoonlijk risico, werken met draaiende machines. Persoonlijk letsel kan worden voorkomen door de veiligheidsnormen en -maatregelen in acht te nemen;
  • samenwerken, met afgebakende deeltaak;
  • intensief hand- en vingergebruik, met name knijp-/grijpkracht, repeterende handelingen, schroefbewegingen;
  • tillen/dragen tot ongeveer 15 kg;
  • staan, gedurende de gehele werktijd, enkel afgewisseld met kort lopen;
  • werken in ongunstige werkhoudingen, zoals gebogen en/of getordeerd, vooral bij het verhelpen van storingen.
De arbeidsdeskundige b&b heeft overwogen dat uit de beschrijving van de hoofdtaken volgt dat er sprake is van eenduidig, routinematig werk. Gelet op de aard van de werkzaamheden is er geen sprake van een groot afbreukrisico. Indien niet adequaat wordt gereageerd bij storingen aan de machine, dan kan het gebeuren dat deze langer stil komt te staan, met bijbehorend economisch gevolg. Het moeten oplossen van storingen leidt daardoor wel tot enige tijdsdruk. Eiser heeft aangegeven een zeer hoge tijdsdruk in het werk te ervaren, maar dit is niet uit de hoofdtaken van de functie te herleiden. Er is in de functie geen sprake van intensief samenwerken. Eiser werkte 3 tot 4 dagen per week in ploegendiensten, afwisselend ochtend-, middag en nachtdiensten, met een totaal van 26 tot 32 uur per week.
7.2.
De verzekeringsarts b&b heeft de dossiergegevens bestudeerd en eiser gesproken en psychisch onderzocht tijdens het spreekuur. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b informatie opgevraagd bij eisers huisarts, maar ondanks een rappel werd geen informatie ontvangen.
De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat eiser per 18 maart 2024 geschikt te achten was voor de maatgevende arbeid van machinebediende. Bij eiser spelen de laatste jaren meerdere problemen. Financiële problemen door onder andere eerdere problemen na een ziekmelding. De laatste ziekmelding was ook het gevolg van het feit dat er ongepaste zaken door de leidinggevende tegen hem werden gezegd. Eiser geeft aan dat hij vanwege de psychische klachten niet in staat was te werken. Hierin kan de verzekeringsarts b&b eiser niet volgen. Getoetst aan het Schattingsbesluit is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Aldus bestaan er vooralsnog op medische gronden benutbare mogelijkheden.
Eiser geeft aan een kort lontje te hebben, te kampen met concentratieproblemen,
geheugenproblemen en last te hebben van algehele lusteloosheid. Ten tijde van het onderzoek bij de primaire verzekeringsarts was er geen sprake van afwijkingen bij het psychisch onderzoek. Er waren namelijk geen tekenen van onder meer concentratie en geheugenproblemen en eiser kon op een rustige manier de zaken aangeven. Op het spreekuur kwam eiser niet zeer vermoeid over. Anamnestisch gaf eiser veel klachten aan. Dit is niet anders bij het onderzoek in bezwaar. Er is echter sprake van enige inconsistentie in deze. Ondanks de ernst van de ervaren klachten is eiser pas op 15 mei 2024 naar de huisarts gegaan. Er liep verder geen andere behandeling en eiser gebruikte geen medicatie. Er is geen aanvullende informatie van de huisarts voorhanden ondanks rappel. Als gevolg van het uitgebreide onderzoek door de primaire verzekeringsarts en het onderzoek in bezwaar is voldoende informatie voorhanden om het bezwaar zorgvuldig af te handelen.
De primaire verzekeringsarts duidt het een en ander als spanningsklachten samenlopend met een passieve en vermijdende coping stijl, waardoor eiser in een negatieve spiraal is beland. De verzekeringsarts b&b kan de primaire verzekeringsarts daarin volgen, gezien het bovenstaande en het feit dat de geclaimde beperkingen bij onderzoek niet te objectiveren zijn per datum 18 maart 2024. Overigens komt in bezwaar naar voren dat eiser na het spreekuur van de primaire verzekeringsarts wel meer grip heeft weten te krijgen op zijn toekomst en per 1 augustus 2024 een baan heeft weten te vinden.
Eiser heeft ook aangegeven dat er in het kader van energetische gronden een urenbeperking
aangenomen moet worden dan wel de behandeling afgewacht moeten worden. Getoetst aan de verzekeringsgeneeskundige Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard Duurbelasting) is er echter geen urenbeperking aan de orde. Er is namelijk geen zeer ernstige onderliggende medische (somatische en/of psychiatrische) aandoening aan de orde (bijvoorbeeld ernstige cardiale- of pulmonale problematiek, een maligniteit of ernstig depressief/psychotisch beeld) wat een sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt. Er is ook geen sprake van een verminderde beschikbaarheid in verband met behandeling. Ook is een urenbeperking niet noodzakelijk op preventieve gronden. Bovendien is het aantal uren in de maatmanfunctie 26-32 uren per week, waardoor er al geen belasting van 40 uur
per week aan de orde is. Het is verder niet duidelijk waarom de behandeling afgewacht moet
worden. Eiser is ten eerste pas maanden na de ziekmelding naar de behandelaar gegaan. Ten
tweede is in bezwaar gebleken dat daadwerkelijke behandeling niet is opgestart.
De arbeidsdeskundige b&b heeft de werkzaamheden in kaart gebracht. Alles overwegende is duidelijk dat eiser klachten ervaarde, echter in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling kan niet uitsluitend worden afgegaan op hoe hij zijn klachten zelf ervaart. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Gezien bovenstaande is hiervan geen sprake. Daarnaast was de maatgevende arbeid in psychisch opzicht niet mentaal belastend.
7.3.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat er geen informatie uit de behandelend sector ten grondslag heeft gelegen aan de besluitvorming in bezwaar. Hoe dat precies is gegaan wordt niet duidelijk. Er wordt aangegeven dat er wel informatie is opgevraagd, maar dat deze niet is verkregen, ondanks rappel. Verder is er geen hoorzitting ingepland, terwijl er wel is gevraagd om een hoorzitting. Eiser meent dat op grond hiervan er ook strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Eiser heeft in beroep een behandelplan van [zorgorganisatie] van 19 december 2024 overgelegd. Daaruit blijkt dat sprake is van lopende behandelingen. Gezien de lopende behandelingen kan niet worden bezien of de psychische problematiek van dusdanige aard is dat eiser in staat zou zijn arbeid te verrichten. Te meer daar het hier gaat om psychische problematiek en de negatieve spiraal waar eiser in is beland, meent hij dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn psychische problematiek, de hoofdpijn, de stress, de concentratieproblematiek, de vergeetachtigheid alsmede de spierklachten. De thans ingebrachte medische informatie ondersteunt het voorgaande. Er wordt gesproken van een posttraumatische stoornis, ouder-kindrelatieproblematiek, psychische aandoening van matige aard, relatieproblemen tussen broers, andere problemen verband houdende met werk of werkeloosheid en problemen verband houdende met justitiële maatregelen.
Gezien de samenhang van deze problematiek meent eiser dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn beperkingen en ten onrechte onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan hij in staat zou moeten zijn de eigen arbeid te kunnen verrichten. Als gekeken wordt naar het arbeidskundig onderzoek in bezwaar valt op dat het eigen werk bestaat uit deadlines, productiepieken, snel ingrijpen tijdens een machinestoring, zelfstandig en doelmatig handelen, persoonlijk risico, samenwerken, intensief hand- en vingergebruik en werken in ongunstige werkhoudingen. Gezien het voorgaande meent eiser niet in staat te zijn de eigen arbeid te kunnen verrichten en dat ten onrechte zijn ZW-uitkering is stopgezet.
Daarnaast heeft eiser ter ondersteuning van zijn beroep facturen van GGz, een Actueel Oordeel van de bedrijfsarts van 27 januari 2025 en een tussenevaluatie van het behandelplan van [zorgorganisatie] van 28 juli 2025 overgelegd.
7.4.
In het verweerschrift heeft het UWV overwogen dat het gebrek van het niet houden van een hoorzitting met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Voor wat betreft de medische informatie van de behandelend sector is het UWV van mening dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek of onzorgvuldigheid. De verzekeringsarts b&b heeft medische informatie opgevraagd bij de behandelend sector. Ondanks een rappelbrief heeft het UWV hierop geen reactie ontvangen. Uit vaste rechtspraak [3] blijkt dat de zorgvuldigheid niet vereist dat na het schriftelijk opvragen van informatie en het sturen van een rappel ook nog telefonisch contact met de behandelend sector moet worden opgenomen. De rapportage van de verzekeringsarts b&b is daarnaast voldoende inzichtelijk. Verder wordt in het verweerschrift verwezen naar de aanvullende medische rapportage van de verzekeringsarts b&b van 7 november 2025.
7.5.
De verzekeringsarts b&b heeft in die rapportage overwogen dat de aanvullende beroepsgronden en medische informatie geen aanleiding vormen om het standpunt van het UWV te wijzigen. De verzekeringsarts b&b wijst er als eerste op dat de datum in geding 18 maart 2024 is. De overgelegde medische informatie is gedateerd vanaf december 2024. Hieruit blijkt ook dat de trigger voor de klachten de detentie eind september 2024 is geweest. Daarvoor was eiser werkzaam en volgde hij een opleiding. Hoewel een gedeelte van de problematiek mogelijk al langer aanwezig was, was deze niet van zodanige aard dat er ook al behandeling aan de orde was en eiser hiermee niet kon werken. Het is dus niet duidelijk waarom deze informatie aanleiding geeft om te concluderen dat eiser op 18 maart 2024 niet geschikt was voor de maatgevende arbeid.
Het feit dat de opgevraagde medische informatie bij de huisarts (ondanks rappelleren) niet
is ontvangen, brengt niet met zich mee dat een verzekeringsgeneeskundige zich geen zelfstandig oordeel kan vormen. Er is door beide verzekeringsartsen een anamnese afgenomen en onderzoek verricht. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige b&b een omschrijving van de werkzaamheden op schrift gesteld. Een zorgvuldige overweging was hierdoor primair en in de bezwaarfase wel degelijk mogelijk. Uit de medische rapportages van de verzekeringsartsen komt naar voren dat er sprake is van ervaren spanningsklachten in verband met financiële problemen, verlies van werk en problemen in het gezin. Er liep op de datum in geding geen behandeling en eiser gebruikte geen medicatie. Bij de psychische onderzoeken door de verzekeringsartsen werden geen cognitieve stoornissen geconstateerd. Er is dan ook geen reden om beperkingen aan te nemen op het gebied van concentratie en geheugenfunctie. Ten tijde van het onderzoek in bezwaar was eiser overigens positief gestemd en was hij op 1 augustus 2024 gestart met werkzaamheden en zou hij gaan starten met een opleiding. Verder zijn er geen medische aandoeningen op fysiek gebied te
objectiveren ten tijde van de datum in geding waardoor er redenen zouden zijn om beperkingen in werk aan te geven. Uit het arbeidsdeskundige rapport komt naar voren dat er sprake is van eenduidig, routinematig werk, zonder groot afbreukrisico en zonder intensief samenwerken. Bij een storing kon het voorkomen dat er enige tijdsdruk aan de orde was. De arbeidsdeskundige b&b omschrijft daarbij dat eiser een zeer hoge tijdsdruk in het werk ervaarde, echter dat dit niet uit de hoofdtaken van de functie te herleiden is. Eiser was dan ook geschikt te achten voor de maatgevende arbeid.
Welke gevolgen heeft het achterwege laten van de hoorzitting in bezwaar?
7.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat het UWV ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Het bestreden besluit I is hierdoor in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb genomen.
Eiser heeft echter de gelegenheid gehad om in beroep zijn standpunten naar voren te brengen en stukken over te leggen. Hij heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Eiser heeft spreekuren gehad met de verzekeringsartsen en heeft desgevraagd informatie verstrekt aan de arbeidsdeskundige b&b. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door dit gebrek en kan dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd.
Is het onderzoek voldoende zorgvuldig geweest?
7.7.
Eiser heeft gesteld dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek, omdat er geen informatie van de behandelend sector ten grondslag ligt aan het bestreden besluit I.
Op 12 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts b&b informatie opgevraagd bij de huisarts van eiser. Omdat geen informatie is ontvangen heeft de verzekeringsarts b&b op 30 september 2024 een rappel gestuurd. Ook naar aanleiding van dit rappel is geen informatie van de huisarts ontvangen.
7.7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben – anders dan eiser stelt – de onderzoeken van de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser geclaimde klachten. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. Zij hebben eiser gezien en hem psychisch onderzocht/geobserveerd.
Zoals de CRvB heeft overwogen in de door het UWV genoemde uitspraak uit 2017 vereist de zorgvuldigheid niet dat na het schriftelijk vragen om informatie en het sturen van een rappel nog telefonisch contact met de behandelaars moet worden opgenomen. De verzekeringsarts b&b heeft verder afdoende gemotiveerd waarom ondanks het ontbreken van informatie van de behandelaars tot een zorgvuldige afweging kon worden gekomen. De medische informatie die eiser in beroep heeft overgelegd ziet op na de datum in geding. Uit de medische rapportage in bezwaar blijkt dat eiser eerst op 15 mei 2024 naar de huisarts is gegaan en een verwijzing voor GGz heeft ontvangen.
Gezien het voorgaande beschikte de verzekeringsarts b&b over voldoende inzicht in de (medische) situatie van eiser. Concluderend zijn er geen onderzoeksactiviteiten gemist en zijn er geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen informatie misten om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
Is eiser terecht geschikt bevonden voor ‘zijn werk’?
7.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd waarom eiser ten tijde van de datum in geding geschikt was om zijn eigen arbeid te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. De overwegingen van de verzekeringsarts b&b zijn verder afdoende onderbouwd. De verzekeringsartsen hebben erkend dat eiser klachten ervaart, maar zij hebben afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van een objectiveerbare medische aandoening ten tijde van de datum in geding waardoor eiser zijn werk niet kon verrichten. Daarbij heeft de verzekeringsarts b&b van belang kunnen achten dat eiser op de datum in geding niet onder behandeling stond, geen medicatie gebruikte en zich eerst op 15 mei 2024 tot de huisarts heeft gewend. Bovendien blijkt uit de in beroep overgelegde medische informatie dat eerst op 28 november 2024 de eerste afspraak bij GGz plaatsvond. De verzekeringsarts b&b heeft afdoende gemotiveerd dat eisers psychische klachten gedeeltelijk aanwezig waren ten tijde van de datum in geding, maar dat blijkens het behandelplan van 19 december 2024 de trigger gelegen was in de nacht die hij in de cel heeft doorgebracht eind september 2024 en dat sindsdien zijn klachten zijn verergerd. Met betrekking tot de (medische) informatie die eiser in beroep heeft overgelegd overweegt de rechtbank dat deze van na de datum in geding is en daarom niet tot een ander oordeel leidt.
Heeft het UWV terecht de voorschotten op de ZW-uitkering teruggevorderd?
8. Het UWV heeft de ZW-uitkering die eiser op voorschotbasis heeft ontvangen over de periode van 25 maart 2024 tot en met 19 mei 2024 van € 2.974,- teruggevorderd. Reden hiervoor is dat eiser geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij niet arbeidsongeschikt wordt geacht. In het bestreden besluit II heeft het UWV overwogen dat de wet voorschrijft dat het UWV de uitkering die onverschuldigd is verstrekt en betaald terugvordert. Alleen als er sprake is van een zeer ernstige of uitzonderlijke situatie hoeft eiser het bedrag niet terug te betalen. Het UWV heeft overwogen dat niet met afdoende gegevens is onderbouwd dat eiser door het bestreden besluit II in (acute) financiële problemen komt en dat niet met relevante stukken is aangetoond dat deze beslissing voor eiser tot verdere medische problemen leidt.
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van dringende redenen om van
terugvordering af te zien. Eiser meent dat er een belangenafweging dient plaats te vinden en dat het evenredigheidsbeginsel dient te worden toegepast. Eiser verwijst daarbij naar de jurisprudentie van de CRvB waaruit blijkt dat in het kader van de terugvordering ook gekeken moet worden naar de eigen rol van het bestuursorgaan bij het ontstaan van de schulden alsmede de persoonlijke omstandigheden. Eiser meent dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, ook gezien de hoogte van de terugvordering afgezet tegen zijn inkomen. Eiser heeft verder aangevoerd dat er geen enkele noodzaak was om hem met terugwerkende kracht te beoordelen. Ter onderbouwing van zijn beroep op dringende redenen heeft eiser stukken overgelegd die volgens hem vooral in dat kader van belang zijn. Zo heeft eiser stukken overgelegd over de onder 2 genoemde gerechtelijke procedure over de weigering aan hem een ZW-uitkering te verstrekken, omdat hij op de eerste ziektedag niet in dienst was bij de werkgever en dus daarvoor niet verzekerd was. Onder verwijzing naar deze procedure heeft eiser aangevoerd dat de handelswijze van het UWV de nodige schade heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft eiser bewijs overgelegd dat hij werkzaamheden heeft moeten verrichten in 2024 als gevolg van de stopzetting van de ZW-uitkering. Als er eerder was gekomen tot stopzetting van de ZW-uitkering had eiser eerder werk kunnen verkrijgen om uit verdere schulden te blijven. Tot slot heeft eiser documentatie overgelegd van medische onderzoeken die hij in Turkije heeft ondergaan.
8.2.
In het verweerschrift heeft het UWV in aanvulling op het bestreden besluit II over eisers beroep op dringende reden overwogen dat het UWV geen fout heeft gemaakt. Het UWV heeft eiser met het voorschot op de ZW-uitkering willen helpen in zijn
financiële situatie, aangezien op dat moment nog niet duidelijk was wanneer de medische
beoordeling afgerond zou zijn. Bij brief van 23 april 2024 is eiser geïnformeerd dat de ZW-uitkering op voorschotbasis zou worden betaald. Kort daarna heeft de medische beoordeling plaatsgevonden, waarna eiser met het primaire besluit II arbeidsgeschikt is geacht voor zijn eigen werk. De terugvordering is daarmee niet onnodig lang opgelopen. Ten slotte reageert het UWV op de persoonlijke omstandigheden van eiser. Bekend is dat bij eiser sprake is van schuldenproblematiek en psychische problematiek. Bij het maken van de belangenafweging dient echter sprake te zijn van een causaal verband: de bij eiser ontstane situatie moet zijn veroorzaakt door de terugvordering. Daarvan is geen sprake, noch ten aanzien van de schuldenproblematiek, noch ten aanzien van de psychische problematiek. Beide bestonden reeds vóór de terugvordering. Er is derhalve geen causaal verband tussen de terugvordering en deze klachten. Daarbij merkt het UWV op dat tijdens de bezwaarprocedure de terugvordering uit coulance on hold is gezet. Tot op heden heeft eiser geen bedrag terugbetaald en ook geen betalingsregeling getroffen.
8.3.
Gelet op de overwegingen 7.7. en 7.8. heeft het UWV terecht overwogen dat eiser per 18 maart 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering
.Dat betekent dat het UWV onverschuldigd een voorschot op de ZW-uitkering over de periode van 25 maart 2024 tot en met 19 mei 2024 heeft verstrekt.
Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald door het UWV teruggevorderd. Op grond van artikel 33, zesde lid, van de ZW kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of dergelijke dringende redenen aanwezig zijn en of het UWV dus geheel of gedeeltelijk van terugvordering af had moeten zien.
8.4.
Met de uitspraak van 18 april 2024 heeft de CRvB de uitleg van de dringende reden verruimd. [4] Het begrip dringende reden wordt (voortaan) gezien als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
8.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen hoeven zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Daartoe wordt overwogen dat het UWV in overleg met eiser heeft afgesproken dat een voorschot zou worden verstrekt en dat de beslistermijn zou worden verlengd. Volgens vaste rechtspraak is inherent aan een voorschot dat dit kan worden verrekend of teruggevorderd als naderhand de definitieve uitkering op een lager bedrag blijkt uit te komen. [5] In de voorschotbeschikking is ook gewaarschuwd dat eiser het voorschot zou moeten terugbetalen als hij geen recht zou hebben op een ZW-uitkering. De verwijzing van eiser ter zitting dat voorschotten verleend op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vaak niet hoeven worden terugbetaald, slaagt niet. In artikel 33, eerste lid, van de ZW is immers dwingendrechtelijk bepaald dat onverschuldigd betaald ziekengeld door het UWV wordt teruggevorderd. Daarnaast heeft het UWV mee kunnen wegen dat na de voorschotbeschikking op redelijk korte termijn het primaire besluit II is genomen. De rechtbank ziet geen verder geen aanwijzingen dat het UWV een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de oorzaak van de terugvordering. Ook is niet in geschil dat het UWV tot op heden heeft gewacht met invorderingsmaatregelen. Tot slot overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van een causaal verband tussen de terugvordering en de aangevoerde financiële en psychische problematiek. Uit het dossier blijkt namelijk dat deze problematiek al aanwezig was voordat de voorschotten werden teruggevorderd. Dat de terugvordering ontoelaatbare of onevenredige gevolgen heeft is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Het UWV heeft terecht geweigerd een ZW-uitkering toe te kennen en de onverschuldigde betaalde voorschotten ZW-uitkering teruggevorderd. Nu het UWV terecht niet is overgegaan tot het verstrekken van een ZW-uitkering, heeft eiser geen recht op een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
9.1.
Met betrekking tot het bestreden besluit I overweegt de rechtbank dat er gelet op overweging 7.6. sprake was van een gebrek, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt gepasseerd. Hierin bestaat echter wel aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Ziektewet
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd (artikel 33, eerste lid, van de ZW).
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien (artikel 33, zesde lid, van de ZW).
Algemene wet bestuursrecht
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 7:2, eerste lid, van de Awb).
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld (artikel 6:22 van Pro de Awb).

Voetnoten

3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3143).
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1351).