Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4896

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
24/7870
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 5.1, tweede lid, onder f, onder 2 OwArt. 5.9 OwArt. 18.2, tweede lid OwArt. 18.4 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder dwangsom voor bouwen zwembad en garage zonder vergunning in beperkingengebied

De zaak betreft een last onder dwangsom opgelegd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan Transito Investments B.V. voor het bouwen van een indoor zwembad en inpandige garage binnen een beperkingengebied zonder omgevingsvergunning. De minister verklaarde het bezwaar van eiseres tegen deze last ongegrond. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de minister een gebrek in zijn besluit moest herstellen, wat onvoldoende is gebeurd.

De minister stelde dat handhaving noodzakelijk is om het stroomvoerende deel van het rivierbed toegankelijk te houden voor riviergebonden activiteiten en om precedentwerking te voorkomen. Eiseres betwistte dit en verwees naar een onherroepelijke vergunning voor een carport op dezelfde locatie en een rivierkundig rapport dat beperkte effecten aantoonde.

De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat handhaving geschikt en noodzakelijk is, mede omdat de legale situatie met de vergunning voor de carport niet is betrokken in de beoordeling. Het beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende herstel van het gebrek in de motivering door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

Transito Investments B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. C.J. Tijman en mr. Tj.P. Grünbauer),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiseres tegen een aan haar opgelegde last onder dwangsom ongegrond heeft verklaard. De minister heeft de last onder dwangsom opgelegd aan eiseres voor het bouwen van een indoor zwembad en inpandige garage binnen een beperkingengebied zonder omgevingsvergunning. [1] Eiseres is het niet eens met dit besluit.
1.1.
De rechtbank heeft op 11 augustus 2025 in een tussenuitspraak de minister de gelegenheid gegeven om een in het besluit geconstateerd gebrek te herstellen. De minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat de minister dit gebrek niet voldoende heeft hersteld. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Op 25 april 2024 heeft de minister een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres voor het bouwen van een indoor zwembad en inpandige garage op het perceel aan de [adres] in [plaats] (gemeente Altena), binnen het beperkingengebied van [kanaal] . Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard, de last onder dwangsom in stand gelaten en de motivering aangevuld.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , bijgestaan door haar gemachtigden. Ook heeft eiseres meegebracht [persoon] en rivierkundige [rivierkundige] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.G. Wezenberg en mr. J.J.M. Mutsaerts.
2.3.
In de tussenuitspraak van 11 augustus 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen.
2.4.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
2.5.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [2]
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat handhavend optreden gelet op de concrete omstandigheden noodzakelijk is om het doel dat wordt gediend met handhaving te bereiken. Allereerst is de minister onvoldoende ingegaan op de concrete situatie op het perceel van eiseres en mist de rechtbank een onderbouwing van de impact van de betrokken bouwwerken, bijvoorbeeld op basis van rivierkundige modellen. Eiseres heeft de noodzaak van handhavend optreden voor dit bouwwerk op dit perceel immers gemotiveerd betwist met een rapportage van een rivierkundige waarin is uiteengezet dat de rivierkundige effecten voor dit bouwwerk in deze situatie op dit perceel beperkt zijn.
Ten tweede heeft de minister niet toegelicht waarom handhavend optreden noodzakelijk is als het gaat om een niet-riviergebonden activiteit die (voldoende) wordt gecompenseerd. De minister stelt namelijk alleen dat compensatie geen bijzondere omstandigheid kan zijn om af te zien van handhavend optreden, omdat uit de Beleidsregels grote rivieren (Bgr) volgt dat compensatie alleen aan de orde is als sprake is van een riviergebonden activiteit.
Ten derde heeft eiseres van de minister een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een carport op dezelfde locatie. Hoewel dit om een kleiner bouwwerk gaat met een andere uitvoering, dient de impact van dit door de minister vergunde bouwwerk wel als uitgangspositie te worden genomen bij de beoordeling of een minder ingrijpend middel zou kunnen volstaan om het doel te bereiken dat met handhavend optreden wordt nagestreefd.
Herstelpoging van de minister
5. Om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen heeft de minister op 9 oktober 2025 een aanvullende motivering gegeven. De minister licht toe dat de noodzaak om handhavend op te treden tegen de bouw van het indoor zwembad en de inpandige garage in het stroomvoerende deel van [kanaal] verband houdt met de schaarse ruimte in het stroomvoerende deel van de rivier. Deze ruimte moet vanwege de bescherming tegen hoogwater beschikbaar blijven voor riviergebonden activiteiten. Deze riviergebonden activiteiten kunnen niet elders plaatsvinden. Door het indoor zwembad en de inpandige garage is die ruimte permanent niet meer beschikbaar voor riviergebonden activiteiten en dit kan alleen ongedaan worden gemaakt met verwijdering.
5.1.
De noodzaak om handhavend op te treden is dus niet gelegen in de rivierkundige effecten, maar in het toegankelijk houden van het stroomvoerende deel van de rivier voor activiteiten die alleen in het rivierbed kunnen plaatsvinden. De riviergebonden activiteiten die op grond van artikel 5 van Pro de Bgr zijn toegestaan dienen zo te worden uitgevoerd dat de nadelige gevolgen zo gering mogelijk zijn en eventueel gecompenseerd kunnen worden. Het indoor zwembad en de inpandige garage zijn echter niet-riviergebonden activiteiten waarvoor de minister geen omgevingsvergunning heeft verleend. De rivierkundige effecten hebben geen betekenis meer. De aanwezigheid van de keerwand is geen unieke omstandigheid om af te zien van handhavend optreden. In het rivierbed staan namelijk vergelijkbare objecten van enige omvang. Bovendien is de keerwand inmiddels deels afgebroken en op die plek is het indoor zwembad met inpandige garage gerealiseerd. Dit betekent dat het indoor zwembad en de inpandige garage voor een verminderde doorstroming zorgen.
5.2.
De minister onderschrijft dat de rivierkundige effecten van het indoor zwembad en de inpandige garage relatief gering zijn, maar handhavend optreden is nog steeds evenredig omdat het bouwen van een zwembad zonder vergunning van de minister geen geringe overtreding is en bovendien blijvend van aard. [3] Eiseres kent de Bgr goed omdat zij al jarenlang in gesprek was met Rijkswaterstaat over haar bouwplannen op deze locatie. Met de bouw van het indoor zwembad met inpandige garage in plaats van de vergunde carport, heeft eiseres zelf het risico aanvaard dat de minister hiertegen handhavend zou optreden. Door niet handhavend op te treden ontstaat een verschil tussen de feitelijke situatie en de juridische situatie. Als eiseres eerst de omgevingsvergunning bij de minister had aangevraagd, dan was deze geweigerd en had zij het indoor zwembad en de inpandige garage niet gerealiseerd. Handhavend optreden is dus noodzakelijk om gelijkheid te creëren voor burgers en bedrijven die wel tijdig de juiste route van een vergunningaanvraag doorlopen. [4]
5.3.
Handhavend optreden is verder van belang om precedentwerking te voorkomen. In de uitspraak van 5 maart 2025 (waarnaar de rechtbank ook verwijst in de tussenuitspraak) zet de ABRvS de lijn uit voor de evenredigheidstoets bij handhavingszaken. Hieruit volgt dat de beginselplicht tot handhaving voorop blijft staan en dat alleen in een bijzonder geval van dit uitgangspunt wordt afgeweken. Van een bijzondere omstandigheid is geen sprake, terwijl wel sprake is van een reëel gevaar voor precedentwerking waardoor de Bgr ook sterk aan kracht zou inboeten. Als de minister voor de noodzaak geen rekening zou mogen houden met precedentwerking, dan wordt handhaven op werken die in strijd met de Bgr in het rivierbed zijn gebouwd een lastige opgave.
Zienswijze eiseres
6. Eiseres heeft op de herstelpoging gereageerd met de brief van 12 december 2025. Volgens eiseres is de minister nog steeds onvoldoende ingegaan op de concrete situatie en de impact van de betrokken bouwwerken en is hij er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat handhavend optreden noodzakelijk is om het doel te bereiken dat daarmee wordt nagestreefd. De minister schetst alleen het algemeen belang, maar de stelling dat het indoor zwembad en de inpandige garage geringe, nadelige effecten hebben, maakt de minister niet concreet. Bovendien neemt de minister als uitgangspunt dat een bouwwerk van 30 m² (zonder vergunning) is toegestaan, maar gelet op de onherroepelijke wijzigingsvergunning van 16 juni 2021 moet het uitgangspunt zijn een carport van 116 m², met een aanbouw van 33,88 m².
6.1.
Ook het effect van de keerwand is onvoldoende meegenomen in de concrete beoordeling. Gelet op de analyse van de rivierkundige stroomt het water van laag naar hoog, eerst van de keerwand, dan naar het bedrijfsgebouw, vervolgens naar de woning en ten slotte naar het indoor zwembad. Alleen bij extreme hoogwatersituaties zal het water om de keerwand heen stromen maar die situaties zijn niet maatgevend. De verwijzing naar de uitspraak van 20 juli 2022 volgt eiseres niet, omdat die zaak ging over het afmeren van een woonboot in het stroomgebied. [5]
6.2.
Eiseres vindt handhavend optreden niet noodzakelijk om precedentwerking te voorkomen omdat buitengewoon onwaarschijnlijk is dat een vergelijkbare situatie zich zal voordoen. In dit geval is namelijk sprake van een indoor zwembad en inpandige garage die gerealiseerd zijn met een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, die groter zijn dan de carport waarvoor de minister in 2020 een watervergunning heeft verleend. [6] Bovendien heeft eiseres de impact al voldoende gecompenseerd. Om deze twee redenen is het risico op ongewenste precedentwerking nihil. De minister had deze bestaande onherroepelijke omgevingsvergunning voor de carport als uitgangspunt moeten meenemen in de beoordeling of kon worden volstaan met een minder ingrijpend middel. Ook had de minister de door eiser uitgevoerde en voorgestelde compensatie moeten meewegen.
Heeft de minister het gebrek hersteld?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de herstelpoging er onvoldoende in is geslaagd om te onderbouwen dat handhavend optreden in dit geval geschikt is om het doel te bereiken dat daarmee is gediend. Zoals de ABRvS heeft overwogen, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). [7] Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.1.
In algemene zin begrijpt de rechtbank dat de minister vanwege de bescherming tegen hoogwater handhavend wil optreden tegen overtredingen in het stroomvoerende deel van de rivier. De minister heeft in dit concrete geval (ook na de herstelpoging) echter niet aannemelijk gemaakt dat handhavend optreden geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken dat daarmee is gediend. De rechtbank leidt uit de herstelpoging af dat handhavend optreden volgens de minister geschikt is om het stroomvoerende deel van de rivier toegankelijk te houden voor activiteiten die alleen in het rivierbed kunnen plaatsvinden om precedentwerking te voorkomen én om burgers gelijk te behandelen. De geschiktheid van de handhaving is voor de minister niet zozeer gelegen in de rivierkundige effecten van de specifieke bouwwerken zelf, maar het doel is om zoveel mogelijk ruimte over te laten voor de riviergebonden activiteiten die op grond van artikel 5 van Pro de Bgr zijn toegestaan. De rechtbank kan dat doel volgen, maar in dit geval heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de onherroepelijke omgevingsvergunning voor de carport op dezelfde locatie. Tussen partijen is niet in geschil dat de met de omgevingsvergunning verleende carport en het gerealiseerde indoor zwembad (en inpandige garage) verschillen in vorm en uitvoering. Volgens de vergunning is de carport namelijk niet omsloten met wanden en de carport beslaat een kleiner oppervlak. Ook staat tussen partijen vast dat deze bouwwerken andere functies hebben.
Dit neemt echter niet weg dat de vergunde carport als uitgangspositie moet worden genomen bij de beoordeling of handhavend optreden geschikt is én of met een minder ingrijpend middel zou kunnen worden volstaan om het doel te bereiken dat met handhavend optreden wordt nagestreefd. In de herstelpoging is de minister niet ingegaan op de vraag hoe de situatie op grond van de omgevingsvergunning voor de carport zich verhoudt tot het handhavingstraject. Eiser heeft daarom in dit verband terecht opgemerkt dat de minister in de herstelpoging niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze de minister de legale situatie heeft betrokken in zijn beoordeling. Deze legale situatie speelt naar oordeel van de rechtbank ook een rol bij de belangenafweging van de minister bij de beantwoording van de vraag of handhavend optreden noodzakelijk is om precedentwerking te voorkomen én om burgers gelijk te behandelen. Deze concrete situatie is namelijk juist uniek door het bestaan van de door de minister verleende omgevingsvergunning voor de carport. Van precedentwerking en gelijke gevallen is daardoor alleen sprake als in een ander geval ook een omgevingsvergunning door de minister is verleend. Om deze reden komt het bestreden besluit dus voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek en hetgeen de rechtbank hiervoor in 7.1. over de herstelpoging van de minister heeft overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten, omdat in de tussenuitspraak het bestreden besluit als gebrekkig is beoordeeld en de minister dit gebrek onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, want in deze zaak zou dit te veel ingrijpen in de bestuurlijke vrijheid die minister in handhavingszaken heeft. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 5:32
Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, tweede lid, onder f, onder 2
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.9
Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag beslissen.
Artikel 18.2, tweede lid
Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.
Artikel 18.4
Onze Minister die het aangaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor zover bij hem de bestuursrechtelijke handhavingstaak daarvan berust.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder g
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om: het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover: bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m².
Beleidsregels grote rivieren (Bgr)
Artikel 5
Voor de navolgende riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven:
de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken;
de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales;
e vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier;
de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten;
de realisatie of verbetering van natuur;
de verbetering van de waterkwaliteit;
de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken;
de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie zijn verbonden;
de winning van oppervlaktedelfstoffen;
de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed;
het behoud of herstel van cultuurhistorische landschapselementen; of
de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten.
Artikel 7, eerste en tweede lid
De toestemming, bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien:
er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en
er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.

Voetnoten

1.Artikel 5.1, tweede lid, onder f, onder 2 van de Ow.
2.Zie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
3.Verwijzing naar: ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2062.
4.Verwijzing naar ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1811.
5.ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2062.
6.De watervergunning geldt als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebied activiteit. Dit volgt uit artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringsweg Omgevingswet.
7.ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331, r.o. 10.1.