ECLI:NL:RBZWB:2026:5157

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
12024731 \ AZ VERZ 25-111
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:686 BWArt. 6:269 BWArt. 7:669 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen; werkgever veroordeeld tot loonbetaling en transitievergoeding

Werknemer trad in mei 2025 in dienst bij werkgever op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten die in december 2025 rechtsgeldig eindigden. Na ziekmelding in juli 2025 hervatte zij haar werkzaamheden niet meer. Werknemer verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van werkgever.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege was geëindigd en dat ontbinding met terugwerkende kracht niet mogelijk is, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. Ook de billijke vergoeding kon niet worden toegekend omdat deze alleen bij ontbinding kan worden toegekend.

Wel werd werkgever veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, achterstallig loon over de maanden augustus tot en met december 2025, inclusief vakantiebijslag en wettelijke verhogingen. Werkgever had onterecht geweigerd een bedrijfsarts in te schakelen en de arbeidsongeschiktheid van werknemer te erkennen. Daarnaast werd werkgever veroordeeld tot het verstrekken van gecorrigeerde loonstroken en een jaaropgave. Het tegenverzoek van werkgever tot terugvordering van loon en kosten werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot ontbinding en billijke vergoeding niet-ontvankelijk; werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, transitievergoeding en wettelijke verhogingen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12024731 \ AZ VERZ 25-111
Beschikking van 27 mei 2026
in de zaak van
[werknemer]
te [plaats 1]
verzoekende partij
verwerende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. K.L. Noordijk
tegen
[werkgever] B.V.
te [plaats 2]
verwerende partij
verzoekende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werkgever]
vertegenwoordigd door [gemachtigde]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [werknemer] met 23 producties;
- het verweerschrift van [werkgever] , met een tegenverzoek en 8 producties;
- de mondelinge behandeling ter zitting van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter zitting door de gemachtigde van [werknemer] overgelegde spreekaantekeningen.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is met ingang van 1 mei 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 3 maanden en aldus tot en met 31 juli 2025, in dienst getreden van [werkgever] .
2.2.
Eind juni 2025 zijn partijen onder nagenoeg dezelfde voorwaarden met elkaar een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden aangegaan. De ingangsdatum daarvan was 1 juli 2025, zodat deze arbeidsovereenkomst eindigde op 31 december 2025.
2.3.
[werknemer] was aangesteld in de functie van administratief medewerker voor de duur van 25 uur per week. Haar loon bedroeg € 17,00 bruto per uur of € 1.841,66 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.
2.4.
Op 22 juli 2025 heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Nadien heeft zij haar werkzaamheden voor [werkgever] niet meer hervat.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
In haar op 18 december 2025 ingediende verzoekschrift vraagt [werknemer] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat sprake is van zodanige omstandigheden dat van haar in redelijkheid niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voorduren [1] en omdat [werkgever] toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst [2] . Daarbij vordert zij dat [werkgever] wordt veroordeeld om aan haar een transitievergoeding en een billijke vergoeding te betalen, alsmede een schadevergoeding wegens gemaakte en nog te maken kosten voor juridische bijstand. Voor het geval dat aan de uit te spreken ontbinding een vergoeding wordt verbonden vraagt zij om een termijn te stellen waarbinnen zij haar verzoek nog kan intrekken.
3.2.
[werknemer] vordert in haar verzoekschrift tevens dat [werkgever] wordt veroordeeld om, met verstrekking van deugdelijke en gecorrigeerde loonstroken, aan haar het achterstallige loon plus vakantiebijslag over de maanden oktober tot en met december 2025 te betalen, alsmede de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de betreffende bedragen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij daaraan een vordering tot uitbetaling van niet opgenomen verlofuren toegevoegd, alsmede een vordering tot afgifte van een volledige en deugdelijke eindafrekening.
3.3.
In afwachting van een beslissing op bovenstaande verzoeken vraagt [werknemer] om bij wijze van voorlopige voorziening [werkgever] te veroordelen tot doorbetaling van het loon zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt en zij arbeidsongeschikt is.
3.4.
[werkgever] voert verweer. Daaruit volgt dat naar de mening van [werkgever] het verzoek moet worden afgewezen.
3.5.
Bij wijze van tegeneis vordert [werkgever] dat [werknemer] wordt veroordeeld tot terugbetaling van loon en betaling van een vergoeding voor gemaakte kosten.

4.De beoordeling van het verzoek

Einde arbeidsovereenkomst
4.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Vastgesteld wordt evenwel dat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd. Desondanks verklaarde [werknemer] tijdens de mondelinge behandeling dat zij dit verzoek handhaaft.
4.2.
[werknemer] wil dat de ontbinding wordt uitgesproken tegen een eerdere datum dan die waarop de arbeidsovereenkomst volgens het contract eindigde. Dat is echter niet mogelijk. Immers geldt ook bij een arbeidsovereenkomst dat de ontbinding daarvan met terug-werkende kracht niet mogelijk is [3] . Gelet hierop is [werknemer] ten aanzien van dit verzoek niet ontvankelijk. Hierna zal aldus worden beslist.
Billijke vergoeding
4.3.
Het bovenstaande oordeel heeft gevolgen voor het verzoek van [werknemer] om ten laste van [werkgever] aan haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 40.000,00, althans van een in goede justitie te bepalen bedrag. [werknemer] vraagt die vergoeding met verwijzing naar artikel 7:671c lid 2 BW. Op grond van dit wetsartikel kan de kantonrechter op het verzoek van een werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden en daarbij, wanneer het zoals hier een arbeidsovereenkomst betreft die tussentijds kan worden opgezegd, aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereen-komst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever [4] . Omdat in deze zaak geen sprake is van een uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat er geen rechtsgrond om een billijke vergoeding toe te kennen. [werknemer] kan dan ook evenmin in dit verzoek worden ontvangen. Dat het verzoek werd ingediend op een dag waarop de arbeidsovereenkomst nog niet van rechtswege was geëindigd brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. Een billijke vergoeding kan immers alleen worden toegewezen bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij is de dag van de beslissing bepalend, niet de dag waarop het verzoek is ingediend.
Intrekken verzoek
4.4.
Omdat de verzochte ontbinding niet wordt uitgesproken, zal aan het verzoek van [werknemer] om een termijn te stellen waarbinnen zij dit verzoek nog kan intrekken worden voorbij gegaan.
Transitievergoeding
4.5.
De verzochte transitievergoeding kan wel worden toegewezen, zij het dat dit niet gebeurt op de door [werknemer] aangevoerde grondslag dat de arbeidsoverkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] op het verzoek van [werknemer] is ontbonden [5] . Daargelaten bijzondere omstandigheden, die in deze zaak niet aan de orde zijn, is een werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd wanneer de arbeidsovereenkomst die van rechtswege eindigt, niet aansluitend op initiatief van de werkgever wordt voortgezet [6] . Daarvan is hier sprake. [werkgever] heeft de berekening van de door [werknemer] gevraagde vergoeding van € 441,00 bruto niet bestreden. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
4.6.
Over het bedrag van de transitievergoeding is [werkgever] de wettelijke rente [7] verschuldigd vanaf 1 februari 2026 [8] .
Schadevergoeding
4.7.
[werknemer] maakt daarnaast aanspraak op een schadevergoeding ter compensatie van de door haar gemaakte kosten van juridische bijstand. Die was noodzakelijk wegens het ernstig verwijtbare handelen van [werkgever] en de aan [werkgever] toerekenbare tekort-komingen in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, aldus [werknemer] , die tijdens de mondelinge behandeling het aanvankelijk hiervoor gevorderde bedrag heeft verminderd tot
€ 6.926,04, inclusief btw.
4.8.
Deze vordering wordt afgewezen. Volgens opgave van [werknemer] is het gevorderde bedrag het resultaat van 21,6 uur aan door haar gemachtigde verrichte werkzaamheden. Uit de urenstaat die in het geding is gebracht volgt dat de werkzaamheden op 1 december 2025 zijn aangevangen. Het verzoekschrift werd op 18 december 2025 ingediend. Waar de werkzaamheden door [werknemer] niet zijn onderscheiden, althans door haar niet is gesteld welke werkzaamheden nadrukkelijk niet kunnen worden beschouwd als verrichtingen in het kader van (de voorbereiding op) deze procedure, worden de opgegeven uren beschouwd als te zijn besteed ten behoeve van de procedure [9] . Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan, ook in een verzoekschriftprocedure, alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro [10] .
Loon
4.9.
[werknemer] stelt dat Nassau Park aan haar te weinig loon heeft betaald. In de maanden augustus en september 2025 ontving zij een te laag uurloon en voor de maanden oktober, november en december 2025 heeft [werkgever] niets uitbetaald.
4.10.
[werkgever] is van mening dat zij niets aan [werknemer] hoeft te voldoen. [werknemer] is namelijk niet ziek. Bij ondertekening van de beide arbeidsovereenkomsten heeft zij met betrekking tot haar gezondheid verklaard dat zij haar functie zonder beperkingen kan uitoefenen. Ze zei ook dat ze nooit ziek was geweest. Toen ze twee maanden zogenaamd ziek thuis was heeft [gemachtigde] van [werkgever] telefonisch aan [werknemer] gevraagd of ze haar salaris had ontvangen en daarop zei ze lachend “ja, heel goed gedaan, dankjewel.”. Als je zo reageert ben je niet ziek. Ook heeft [werkgever] bij haar ziektekostenverzekeraar geïnformeerd naar wat ze moest doen en die zei “niet ziek, niet werken, geen salaris betalen”. [werknemer] is alleen maar uit op een extra uitkering naast haar nevenwerkzaamheden. Voordat zij in dienst trad had ze een WIA-uitkering. Ze kent de weg bij de bedrijfsarts om die uitkering verlengd te krijgen. [werkgever] weigert om aan deze schijnconstructie mee te werken, aldus het verweer. Daar voegt [werkgever] nog aan toe dat [werknemer] in strijd met gemaakte afspraken nooit gegevens aangaande het loon dat zij bij haar vorige werkgever ontving heeft overgelegd.
4.11.
Bij het verzoekschrift legt [werknemer] een door haar op 22 juli 2025 aan [gemachtigde] gezonden WhatsAppbericht over waarin zij meldde dat het “niet lekker” ging en zij naar huis ging. De volgende dag appte zij dat ze niet kon komen werken en een afspraak had gemaakt bij de huisarts. Die afspraak had zij op 25 juli 2025. Nadien appte zij aan [gemachtigde]
dat het ernaar uitzag dat ze niet snel beter zou zijn en adviseerde zij hem om de bedrijfsarts in te schakelen. [werkgever] heeft dat niet gedaan. In plaats daarvan schreef [gemachtigde] dat [werknemer] de sleutels nog dezelfde dag diende in te leveren en dat het contract door de kantonrechter zou worden ontbonden.
4.12.
Overwogen wordt dat toen [werknemer] zich ziek meldde, het niet aan [werkgever] was om te oordelen of de ziekmelding al dan niet terecht was. Bij twijfel had zij [werknemer] door een bedrijfsarts moeten laten zien, die wel bevoegd is om de ziekmelding te beoordelen. [werknemer] heeft nota bene meermaals gevraagd om door een bedrijfsarts te mogen worden gezien [11] . [werkgever] , althans [gemachtigde] meende echter zelf wel te weten dat [werknemer] niet ziek was. Dat komt voor haar rekening en risico.
4.13.
[werknemer] heeft uiteindelijk op 4 december 2025 bij het UWV om een deskundigen-oordeel gevraagd. In het daarop gevolgde rapport concludeerde de arbeidsdeskundige dat de
re-integratie-inspanningen van [werkgever] onvoldoende zijn (geweest). Weliswaar betreft dit niet een oordeel van de verzekeringsarts van het UWV omtrent de verhindering van [werknemer] om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten, uit het rapport blijkt dat een verzekeringsgeneeskundige rapportage is opgemaakt en dat [werknemer] vanaf 22 juli 2025 tot
8 januari 2026, toen zij door de verzekeringsarts werd gezien, arbeidsongeschikt werd geacht voor haar werk als administratief medewerkster bij [werkgever] . Gelet hierop gaat de kantonrechter voorbij aan het vereiste dat een vordering tot betaling van loon dient te worden ondersteund met een deskundigenoordeel van de verzekeringsarts [12] . Dat [werknemer] in de betreffende periode arbeidsongeschikt was is namelijk genoegzaam aangetoond.
4.14.
Met een brief van het UWV van 5 februari 2026 heeft [werkgever] nog willen aantonen dat het UWV heeft geoordeeld dat [werknemer] niet ziek was. In een eerdere brief van 19 januari 2026 van het UWV werd aan [werkgever] meegedeeld dat het UWV het voornemen had om aan [werkgever] een boete op te leggen omdat zij op de laatste werkdag van [werknemer] geen ziekteaangifte had gedaan (opgave ziek uit dienst). Nadat [werkgever] schriftelijk de reden van dit verzuim had toegelicht liet het UWV in haar brief van 5 februari 2026 weten dat de opgegeven reden, het niet willen meewerken aan een valse ziekte-aangifte, geen verwijtbaarheid opleverde en dat daarom geen boete werd opgelegd. Anders dan [werkgever] uit dit besluit van het UWV lijkt te concluderen, betekent het geenszins dat het UWV (alsnog) van oordeel is dat [werknemer] niet arbeidsongeschikt was. In e-mails van 2 en 9 april 2026 heeft het UWV dat ook aan [werknemer] bevestigd [13] .
De overige argumenten van [werkgever] om de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] in twijfel te trekken zijn louter gebaseerd op veronderstellingen van [werkgever] en niet, althans niet deugdelijk onderbouwd. Onder meer geldt dit voor de - door [werknemer] betwiste - stelling van [werkgever] dat [werknemer] eerder een WIA-uitkering genoot en zij bij ziekte daarop kan terugvallen. In het licht van de in de vorige alinea weergegeven conclusie wordt daarom aan die overige verweren voorbij gegaan.
4.15.
Zoals gezegd maakt [werknemer] aanspraak op loon. In het algemeen geldt dat in het geval een werknemer de bedongen werkzaamheden niet heeft verricht omdat hij ten gevolge van
ziekte daartoe verhinderd was, hij gedurende 104 weken recht houdt op 70% van het loon, waarbij hij gedurende de eerste 52 weken recht heeft op ten minste het voor hem geldende wettelijk minimumloon [14] . Een cao waarin een voor werknemers gunstiger regeling is opgenomen is op de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] niet van toepassing.
4.16.
Ter zitting stelde [werknemer] voor het eerst dat zij in de maanden augustus en september 2025 te weinig loon uitbetaald heeft gekregen. [werkgever] heeft per uur € 11,90 bruto uitbetaald, terwijl het wettelijke minimumloon € 14,40 per uur bedroeg. Het verschil is
€ 2,50 bruto per uur. Uitgaande van een werkweek van 25 uur en (52 : 12 =) 4,33 weken per maand heeft zij in deze twee maanden (25 x 4,33 x € 2,50 x 2 =) € 541,25 te weinig betaald gekregen, aldus haar berekening. Zij voegt daaraan toe dat [werkgever] heeft erkend dat de loonbetaling niet juist is geweest [15] .
4.17.
[werkgever] heeft tegen deze vermeerdering van de vorderingen in het verzoek geen bezwaar gemaakt, noch heeft zij de motivering en de berekening van de vordering bestreden. Wel verwijst zij naar een e-mail van haar verzekeringstussenpersoon die schreef dat het erop lijkt dat [werknemer] recht heeft op een Ziektewetuitkering. Dit kan een grond voor vermindering van het loon zijn [16] , maar van een zodanig recht is volgens [werknemer] geen sprake. Uit een door haar overgelegde brief van het 29 september 2025 blijkt ook dat het UWV haar aanvraag voor een toeslag op het tijdens ziekte doorbetaalde loon heeft afgewezen.
4.18.
Uit de wet volgt dat [werknemer] bij ziekte recht heeft op ten minste het wettelijk minimumloon. In de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 was dat € 14,40 bruto per uur [17] . Dat is per uur € 2,50 bruto meer dan 70% van het overeengekomen bruto-uurloon van € 17,00 dat [werkgever] heeft uitbetaald. [werkgever] heeft tegen het berekende bedrag van € 541,25 bruto aan te weinig betaald loon geen verweer gevoerd, zodat de vordering kan worden toegewezen. Vermeerderd met de over dat bedrag eveneens gevorderde vakantie-bijslag komt dit neer op € 584,55 bruto. [werkgever] zal worden veroordeeld om dat bedrag nog aan [werknemer] te betalen. De daarover eveneens gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 oktober 2025.
4.19.
Over de maanden oktober, november en december 2025 heeft [werkgever] in het geheel geen loon betaald. Dit zal alsnog moeten gebeuren. [werknemer] heeft dit loon, vermeerderd met de vakantiebijslag berekend op in totaal € 5.050,51 bruto. [werkgever] heeft die berekening niet bestreden, zodat vermeld bedrag zal worden toegewezen. [werknemer] vordert verder dat over dit bedrag de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid wordt toegewezen. Daarin kan zij niet volledig tegemoet worden gekomen. Omdat zij de vordering niet heeft uitgesplitst in de drie verschillende maanden en bovendien de vakantiebijslag eerst op 31 december 2025 verschuldigd was zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf
1 januari 2026.
Verlofuren
4.20.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] haar verzoek verder vermeerderd met een vordering tot vergoeding van € 907,18 bruto voor niet genoten vakantie-uren. Ook tegen deze vorderingen heeft [werkgever] geen procedureel of inhoudelijk verweer gevoerd. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026.
Wettelijke verhoging
4.21.
[werknemer] vordert dat [werkgever] wordt veroordeeld om de wettelijke verhoging over het achterstallige loon en de vergoeding voor niet genoten verlofuren te betalen [18] . Overwogen wordt dat [werknemer] aanspraak heeft op een verhoging aangezien het in geld vastgestelde loon, alsook de vakantiebijslag en de vergoeding voor niet genoten verlofuren niet tijdig zijn voldaan en dit aan [werkgever] is toe te rekenen. De verhoging is maximaal 50% van de verschuldigde bedragen. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter het [werkgever] in ernstige mate valt te verwijten dat zij de betreffende bedragen niet heeft voldoen zal dat percentage worden toegepast, zodat als wettelijke verhoging wordt toegewezen een bedrag van 50% x (€ 584,55 + € 5.050,51 + € 907,18) = € 3.271,12. Over dat bedrag is [werkgever] vanaf de dag van deze uitspraak de wettelijke rente verschuldigd.
Opgebouwde vakantietoeslag
4.22.
Stellende dat [werkgever] geen volledige eindafrekening heeft verstrekt en evenmin de in de periode waarin zij arbeidsgeschikt was opgebouwde vakantietoeslag heeft uitbetaald, vordert [werknemer] betaling van € 441,66 bruto. Het gaat dan om de vakantiebijslag over het loon in de maanden mei, juni en juli 2025. Ook tegen deze vermeerdering van de vorderingen in het verzoek, noch tegen het berekende bedrag heeft [werkgever] verweer gevoerd.
4.23.
Overwogen wordt dat hoewel [werknemer] in haar berekening ten onrechte er geen rekening mee houdt dat zij niet in alle drie maanden volledig heeft gewerkt, immers was zij vanaf 22 juli 2025 arbeidsongeschikt, en bovendien uit de arbeidsovereenkomst volgt dat zij gedurende de eerste twee dagen van haar arbeidsongeschiktheid geen recht had op loon [19] , zou een herberekening van de vordering om die met deze twee elementen te corrigeren slechts een marginaal verschil met het gevorderde bedrag tonen. Nu [werkgever] zich niet, althans niet op zelfstandige gronden tegen de vordering verzet zal het betreffende bedrag worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente is [werkgever] verschuldigd vanaf 1 januari 2026.
Salarisspecificaties
4.24.
[werknemer] vordert dat [werkgever] aan haar deugdelijke en gecorrigeerde loonstroken met betrekking tot de periode augustus tot en met december 2025 verstrekt. Op 28 augustus 2025 heeft zij per WhatsApp aan [werkgever] een herziene loonstrook voor die maand gevraagd aangezien in de door haar ontvangen loonstrook geen rekening was gehouden met
de uitbetaling van niet meer dan 70% van het loon wegens ziekte. Hoewel [werkgever] toezegde haar accountant hierover te raadplegen heeft [werknemer] geen gecorrigeerde salarisspecificatie ontvangen. En over de daaropvolgende maanden heeft zij in het geheel geen salarisspecificaties ontvangen, aldus [werknemer] . [werkgever] weerspreekt dit niet.
4.25.
Aangezien een werkgever verplicht is bij elke betaling van het loon een (correcte) specificatie te verstrekken van dat loon, de bedragen waaruit het is samengesteld en de inhoudingen daarop [20] zal [werkgever] alsnog aan die wettelijke verplichtingen moeten voldoen. Daartoe zal zij dan ook worden veroordeeld. Tevens zal zij aan [werknemer] een jaaropgave moeten afgeven [21] .
Voorlopige voorziening
4.26.
Op [werknemer] ’ vordering tot het geven van een voorlopige voorziening behoeft niet meer te worden beslist. Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [werknemer] in de hoofdzaak is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv Pro de door haar gevraagde voorlopige voorziening tot het betalen van (achterstallig) loon te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. Het betreffende verzoek wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.27.
De kosten van deze procedure komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.266,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
[werkgever] vordert dat [werknemer] wordt veroordeeld om aan haar € 9.232,00 te betalen. Dit bedrag is opgebouwd uit verschillende bedragen, op elk waarvan hierna kort wordt ingegaan.
5.2.
[werkgever] stelt dat [werknemer] reeds in april 2025 bij haar heeft gewerkt. Dit was zonder dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zij heeft die maand 80 uur gewerkt en verdiende € 17,00 per uur. Overwogen wordt dat, voor zover [werknemer] in die maand werkzaam-heden heeft verricht en daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, het niet valt in te zien waarom die vergoeding zou moeten worden terugbetaald. [werkgever] licht dat ook niet toe en stelt in haar verweerschrift zelfs dat de inzet van [werknemer] zeer goed was en voorts dat haar werk goed te noemen was.
5.3.
[werkgever] wil ook het door haar betaalde loon voor de maanden augustus en september 2025 tot het bedrag van € 3.400,00 terug. Echter, bij de beoordeling van het verzoek van [werknemer] hierboven is reeds overwogen dat zij aanspraak kan maken op loon over die maanden. Van terugbetaling kan dan ook geen sprake zijn.
5.4.
Een derde onderdeel van de vordering is een bedrag van € 3.200,00. [werkgever] vordert dit bedrag onder de noemer “gemaakte kosten om valsheid in ziekteverzuim te voorkomen.” Wat zij daarvoor gedurende 16 uren heeft gedaan, of die werkzaamheden in redelijkheid konden worden verricht en wat deze hebben opgeleverd, is door [werkgever] niet toegelicht. Een rechtsgrond voor deze vordering ontbreekt evenwel, zodat ook dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is.
5.5.
Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 600,00 dat onder de noemer “over 2 maanden + sociale kosten” wordt gevorderd. Ook hiervoor is geen enkele rechtsgrond aangevoerd. Evenmin is duidelijk gemaakt wat [werkgever] hiermee bedoelt.
5.6.
De conclusie is dat de vordering in het tegenverzoek van [werkgever] , inclusief de over de drie genoemde posten gevorderde omzetbelasting, wordt afgewezen.
5.7.
Gezien de geringe omvang van het debat naar aanleiding van het tegenverzoek zal worden bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek van [werknemer]
6.1.
verklaart [werknemer] in het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet ontvankelijk;
6.2.
verklaart [werknemer] in het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding niet-ontvankelijk;
6.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
a. a) € 441,00 bruto als transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
b) € 584,55 bruto ter zake van loon, inclusief vakantiebijslag, met betrekking tot de maanden augustus en september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag van de volledige betaling;
c) € 5.050,51 bruto ter zake van loon, inclusief vakantiebijslag, met betrekking tot de maanden oktober tot en met december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
d) € 907,18 bruto voor niet genoten verlofuren, inclusief vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
e) € 441,66 bruto ter zake van vakantiebijslag over het loon met betrekking de maanden mei, juni en juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf
1 januari 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
f) € 3.271,12 wegens wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [werkgever] om deugdelijke en gecorrigeerde salarisspecificaties met betrekking tot de maanden augustus tot en met december 2025, alsmede de jaaropgave 2025 aan [werknemer] af te geven;
6.5.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.266,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening wanneer [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna aan haar wordt betekend;
6.6.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten indien deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af;
op het tegenverzoek van [werkgever]
6.9.
wijst het verzoek af;
6.10.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.[werknemer] verwijst naar artikel 7:671c lid 1 BW, hoewel haar motivering niet aan die bepaling lijkt te zijn ontleend maar aan
2.Artikel 7:686 BW Pro.
3.Artikel 6:269 BW Pro. Zie in dit verband o.a. Hoge Raad 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1056, rov. 3.2 en Hoge Raad 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3037, rov. 5.2.
4.Artikel 7:671c lid 2, onder b BW.
5.Artikel 7:673 lid Pro 1, onder b, 2º BW.
6.Artikel 7:673 lid Pro 1, onder a, 3º en lid 7 BW.
7.Dit is de rente die is bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
8.Artikel 7:686a lid 1 BW.
9.In de beschikking van de kantonrechter te Nijmegen waar [werknemer] ter ondersteuning van haar vordering naar verwijst zijn
10.Zie Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934, rov. 3.3., met verwijzing naar Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, rov. 5.1 en Hoge Raad 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, rov. 5.3.3.
11.Onder andere ook medio september 2025 per WhatsApp (productie 14a bij het verzoekschrift).
12.Artikel 7:629a lid 1 BW.
13.Zie productie 21 bij het verzoekschrift.
14.Artikel 7:629 lid 1 BW Pro.
15.Spreekaantekeningen, § 91-93.
16.Artikel 7:629 lid 5 BW Pro.
17.Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 april 2025, nr. 2025-0000069776, tot indexatie van het wettelijk minimumloon en bekendmaking van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2025, Stcr. 2025, 12264.
18.Artikel 7:625 BW Pro.
19.Artikel 8 lid 3 van Pro de arbeidsovereenkomst, dat in overeenstemming is met artikel 7:629 lid 9 BW Pro.
20.Artikel 7:626 BW Pro.
21.Artikel 28 lid Pro 1, onder e Wet op de Loonbelasting 1964.