ECLI:NL:RBZWB:2026:5592

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3607
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen bij ME/CVS

Betrokkene, gediagnosticeerd met ME/CVS, vroeg een WIA-uitkering aan na een eerdere afwijzing wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde de uitkering opnieuw omdat geen toename van beperkingen werd vastgesteld binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na de eerste afwijzing.

De rechtbank beoordeelde het medisch dossier, inclusief rapportages van verzekeringsartsen en aanvullende medische stukken, en concludeerde dat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank volgde het UWV in de beoordeling dat de klachten weliswaar subjectief toenamen, maar niet objectief tot meer beperkingen leidden.

De rechtbank wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft en geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat geen toegenomen beperkingen zijn vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

Gewoon Beheer B.V. in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene](betrokkene), uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Joosen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan betrokkene een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Eiseres is het niet eens met de weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

2. Betrokkene werkte als operator. Hij ontving vanaf 14 november 2018 een WW-uitkering en was daarnaast (parttime) werkzaam als magazijnmedewerker
.Betrokkene is op 1 oktober 2019 uitgevallen met vermoeidheidsklachten, concentratieafname en heupklachten (ME/CVS sinds 2006). Betrokkene ontving een Ziektewetuitkering en bereikte op 21 september 2021 het einde van de wachttijd.
2.1.
Betrokkene heeft op 19 juli 2021 een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 21 december 2021 heeft het UWV de aanvraag geweigerd, omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt en het UWV heeft het bezwaar op 19 juli 2022 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

Procesverloop

3. Betrokkene heeft zich op 28 februari 2024 bij het UWV gemeld met toegenomen klachten en verzocht om een herbeoordeling van zijn gezondheidssituatie. Het UWV heeft met het besluit van 5 september 2024 (primair besluit) geweigerd aan betrokkene een WIA-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van toegekomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere schatting.
3.1.
Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 16 juni 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
3.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nog medische stukken overgelegd.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens het UWV [persoon] .

Toetsingskader

4. De WIA-uitkering is een uitkering voor personen die door een ziekte of beperking niet (volledig) kunnen werken en daardoor minder verdienen dan voorheen. Iemand heeft in principe recht op een WIA-uitkering als hij minstens twee jaar ziek is geweest en nog steeds arbeidsongeschikt is voor meer dan 35%. Dat betekent dat hij door ziekte of beperking niet meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen.
4.1.
Als iemand aan het einde van de wachttijd van 104 weken geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en hij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd meer dan 35% arbeidsongeschikt wordt als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak, ontstaat alsnog recht op een WIA-uitkering met ingang van de dag waarop hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Dat is geregeld in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA en wordt ook wel de Amber-regeling genoemd.

Beoordeling door de rechtbank

5. Voor de beoordeling of betrokkene op grond van artikel 55 van Pro de Wet WIA alsnog in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, zijn volgens vaste rechtspraak [1] de volgende vragen van belang:
  • Is er sprake van toegenomen beperkingen?
  • Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak (causaliteitsvereiste)?
  • Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na de weigering?
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het UWV
5.1.
In de melding over de wijziging van zijn gezondheid vermeldt betrokkene dat hij in vergelijking met de beoordeling in november 2021 toegenomen beperkingen heeft door zijn vermoeidheidsklachten, pijnklachten en psychische klachten. Zijn gezondheid is geleidelijk slechter sinds 1 oktober 2019. Betrokkene geeft aan dat hij graag erkenning wilt van zijn ziekte.
-
Medisch onderzoek verzekeringsartsen
5.2.
De primaire verzekeringsarts heeft betrokkene gezien op het spreekuur van 30 april 2024. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 1 mei 2024 geconcludeerd dat de benutbare mogelijkheden niet zijn gewijzigd. De beperkingen zijn niet toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na eerdere schatting. De verzekeringsarts heeft op 1 mei 2024 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De aangenomen beperkingen in deze FML zijn conform de FML van 23 november 2021. Er zijn beperkingen opgenomen in alle rubrieken (Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden).
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) heeft betrokkene in het kader van zijn bezwaar gezien op de hoorzitting van 20 februari 2025. De verzekeringsarts b&b heeft aangesloten bij de primaire beoordeling en concludeert in de rapportage van 13 juni 2025 dat geen sprake is van toegenomen beperkingen op basis van dezelfde ziekteoorzaak. Er kan niet medisch geobjectiveerd worden dat de toename van ervaren klachten en belemmeringen ook leiden tot een toename van beperkingen ten aanzien van arbeid. Er is geen datum na einde wachttijd aan te wijzen waarbij de eerder aangenomen beperkingen als toegenomen beschouwd kunnen worden. Uit de in de primaire omschreven anamnese en de bevindingen bij lichamelijk en psychisch onderzoek komen geen medische feiten naar voren die de toename van subjectief ervaren klachten ook in die mate objectiveren, dat sprake is van toegenomen beperkingen ten aanzien van arbeid dan eerder is vastgesteld. De verzekeringsarts b&b kan niet medisch objectiveren en dus stellen dat sprake is van een toename in beperkingen tussen 20 april 2023 en 1 mei 2024. In bezwaar worden geen nieuwe medische feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht waardoor het primaire oordeel gewijzigd zou moeten worden.
-
Standpunten van partijen
5.4.
In aanvulling op haar bezwaarschrift voert eiseres in beroep aan dat de beperkingen van betrokkene wel degelijk zijn toegenomen. Er bestaat een verschil van inzicht over de aard en mate van achteruitgang in de gezondheidssituatie van betrokkene. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en er is onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen als gevolg van ME/CVS. Eiseres verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [2] Daarnaast verzoekt eiseres de rechtbank om een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat twijfel bestaat over het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Op zitting heeft eiseres betoogd dat de verzekeringsarts niet alleen de periode tussen 20 april 2023 en 1 mei 2024 had moeten beoordelen, maar dat hij de volledige termijn van vijf jaar bij de beoordeling had moeten betrekken.
5.5.
De verzekeringsarts b&b heeft in de aanvullende rapportage van 7 oktober 2025 op het beroepschrift gereageerd. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te wijzigen. Uit de aangedragen punten in beroep komen geen nieuwe medische feiten en/of omstandigheden naar voren die zouden leiden tot een ander oordeel, dus niet tot wijzigingen in de opgestelde belastbaarheid.
-
Oordeel van de rechtbank
5.6.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de beroepsgronden van eiseres nagenoeg een letterlijke herhaling zijn van de bezwaargronden. De gronden zijn aan de rechtbank gericht, maar verder identiek aan de gronden die betrokkene heeft aangevoerd in bezwaar. De verzekeringsarts b&b is in de rapportage behorende bij het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende op de bezwaargronden ingegaan. Van eiseres mag worden verwacht dat zij aangeeft waarom zij het niet eens is met de weerlegging door de verzekeringsarts b&b. Dit heeft zij niet gedaan. Alleen daarom al slagen haar beroepsgronden voor zover het een herhaling van de bezwaargronden betreft niet.
5.7.
De rechtbank beperkt zich om die reden tot behandeling van de beroepsgronden zoals opgenomen onder punt 2.10 en 2.11 van het beroepschrift, en de nader ingediende medische informatie.
Wat is de periode in geding?
5.8.
Het UWV heeft geweigerd betrokkene een WIA-uitkering toe te kennen per 21 september 2021 (einde wachttijd). De rechtbank stelt vast dat de zogeheten Amberperiode in dit geval loopt van 21 september 2021 tot 21 september 2026.
5.9.
De periode in geding is de periode vanaf de gestelde toename van klachten tot de datum waarop belanghebbende zich met toegenomen klachten heeft gemeld bij het UWV. [3] De datum van ontvangst van de melding bij het UWV is daarvoor bepalend. [4] De rechtbank stelt vast dat de datum van de gestelde toename van klachten door eiseres is bepaald op 20 april 2023 (datum onderbewindstelling betrokkene), en dat het UWV de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid op 1 maart 2024 van betrokkene heeft ontvangen. Gelet op de hiervoor vermelde rechtspraak loopt de periode in geding in beginsel van 20 april 2023 tot en met 1 maart 2024.
5.10.
Dat het UWV in de praktijk zijn beoordeling uitstrekt tot de datum van het onderzoek door de primaire verzekeringsarts (1 mei 2024), is uit het oogpunt van doelmatigheid niet bezwaarlijk. [5] De rechtbank volgt eiseres om die reden niet in haar stelling dat het UWV de volledige termijn van vijf jaar bij de beoordeling had moeten betrekken. De rechtbank gaat dan ook uit van de periode in geding van 20 april 2023 tot en met 1 mei 2024.
Is er sprake van toegenomen beperkingen?
5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig geweest. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, betrokkene gezien op het spreekuur en hem psychisch en lichamelijk onderzocht. In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b eveneens dossierstudie verricht en betrokkene gesproken tijdens de telefonische hoorzitting. De informatie van de huisarts, Mentaal beter, internist, neuroloog, KNO-arts en longarts zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken
.
5.12.
Niet in geschil is dat betrokkene de diagnose ME/CVS heeft. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij rekening hebben gehouden met deze diagnose en dat zij hiervoor beperkingen hebben aangenomen. Uit de anamnese en de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek en psychisch onderzoek van de primaire verzekeringsarts blijkt dat er geen toename van beperkingen is vast te stellen. Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen. Eiseres heeft weliswaar medische gegevens van de huisarts en De-Kering overgelegd, maar zij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts b&b een onjuist beeld had van de beperkingen van betrokkene. De stukken tonen dan ook niet aan dat in de periode in geding sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling in 2021. De uitspraak van de CRvB waarnaar eiseres verwijst maakt deze conclusie niet anders, aangezien elke (her)beoordeling wordt toegesneden op een individuele situatie en de rechtbank die beoordeling in deze zaak kan volgen.
5.13.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat betrokkene een toename aan klachten ervaart, betekent dit niet dat de medische beoordeling onjuist is. De klachten moeten op de door de wetgever verlangde objectiveerbare wijze worden vastgesteld.
5.14.
De rechtbank volgt het UWV in het standpunt dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de vervolgvragen of de beperkingen voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak en of de toename heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar na de weigering. Het UWV heeft dan ook terecht geconcludeerd dat betrokkene niet toegenomen arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA.
5.15.
De rechtbank ziet geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Arbeidskundige beoordeling
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
6. Als geen sprake is van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de weigering wordt volgens vaste rechtspraak niet toegekomen aan de arbeidskundige beoordeling van de vraag of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid
. [6]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om aan betrokkene een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. V.J. Wuijten, griffier, op 3 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
2.Uitspraak van de CRvB van 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:992.
3.Zie de uitspraken van de CRvB van 6 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:20 en 3 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1336.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2572.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2814.
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2676.