Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister.
Samenvatting
.Ook is niet gebleken dat de minister in strijd heeft gehandeld met procedurele beginselen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
.De minister heeft het telefoongesprek met de behandelaar van het bezwaar achteraf ten onrechte als hoorzitting bestempeld. Dit gesprek had alleen een procedureel karakter en er was geen ruimte om over de inhoud te praten of om invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Ook wordt in het verslag van het telefoongesprek ten onrechte gesuggereerd dat dit gesprek was gevoerd met de Directeur-Generaal of de minister zelf. De behandelaar van het bezwaar was bovendien niet onafhankelijk omdat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken én bij andere beroepen en hoger beroepen van eiser. Het is echter onverenigbaar met artikel 2:4, van de Awb dat dezelfde functionaris optreedt als interne verdediger van het standpunt van de minister en later als bezwaarbehandelaar in deze zaak.
bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd. Die zorgplicht houdt in elk geval in dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 2:4 van Pro de Awb gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. [1]
Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4, van de Awb, slaagt ook het betoog dat de minister in strijd zou hebben gehandeld met artikel 7:3 en Pro 7:11 van de Awb door geen onafhankelijke hoorzitting te houden, niet.
Daar is eiser niet in geslaagd. Eiser betoogt dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp zou moeten bestaan, omdat een overzicht van de Woo-besluiten die op deze verzoeken zijn genomen wel bestaat. Bovendien beschikt de minister over een intern registratiesysteem en door de metadata van deze registraties samen te nemen, is sprake van een overzicht. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat eiser met ‘overzicht van de Woo-besluiten die op deze Woo-verzoeken zijn genomen’, doelt op de website van de rijksoverheid waar Woo-besluiten worden gepubliceerd. Dit is een openbaar archiefsysteem van gepubliceerde Woo-besluiten. Een soortgelijk openbaar archief specifiek voor de Woo-verzoeken die binnen zijn gekomen bij het ministerie van BZK, bestaat echter niet. Dat Woo-verzoeken worden geregistreerd en opgeslagen in het interne archiefsysteem van het ministerie, leidt niet tot de conclusie dat daardoor automatisch een totaaloverzicht wordt gegenereerd van alle Woo-verzoeken. Ten slotte is de minister op grond van de Woo niet verplicht om een overzicht de produceren.