ECLI:NL:RBZWB:2026:5845
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot opheffing voorlopige voorziening Wmo afgewezen wegens gebrek aan procesbelang
In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen om opheffing van een voorlopige voorziening die de rechtbank eerder had getroffen ten gunste van verzoekster. De voorlopige voorziening verplichtte het college tot het toekennen van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en ondersteuning.
Het college stelde dat gewijzigde feiten en omstandigheden, indien bekend geweest, tot een andere beslissing hadden geleid en wilde de voorziening met terugwerkende kracht opheffen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het college onvoldoende actueel en reëel belang had bij het verzoek, omdat het alleen ging om een mogelijke toekomstige civielrechtelijke betalingsverplichting.
De voorzieningenrechter benadrukte dat bestuursrechtelijke procedures niet geschikt zijn om civielrechtelijke betalingsvorderingen te voorkomen en dat opheffing met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Gezien de korte resterende looptijd van de voorlopige voorziening en het ontbreken van een bestuursrechtelijke grondslag voor betaling, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek kon niet in hoger beroep worden aangevochten. De voorlopige voorziening blijft daarmee van kracht tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.