AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen intrekking alcoholwetvergunning en weigering exploitatievergunning wegens drugsgerelateerde overlast
Eiser voerde beroep aan tegen de intrekking van zijn alcoholwetvergunning en de weigering van zijn exploitatievergunning voor een horecagelegenheid, nadat drugsgerelateerde activiteiten waren vastgesteld. De burgemeester had de exploitatievergunning geweigerd en de alcoholwetvergunning ingetrokken vanwege de aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de burgemeester bevoegd was tot intrekking van de alcoholwetvergunning en dat de motivering voor de weigering van de exploitatievergunning onvoldoende was. De burgemeester kreeg de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen, wat hij deed door te verwijzen naar politiegegevens en eerdere meldingen over drugshandel vanuit het café.
De rechtbank vond de nadere motivering voldoende, maar stelde vast dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning onevenredig was vanwege het tijdsverloop: het besluit werd ruim twaalf maanden na de laatste geconstateerde drugshandel genomen, terwijl het café al zes maanden gesloten was geweest. Hierdoor was het doel van het besluit niet meer te bereiken. Het beroep werd daarom gegrond verklaard voor zover het de exploitatievergunning betrof, en ongegrond voor de intrekking van de alcoholwetvergunning.
De burgemeester werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de exploitatievergunning en ongegrond voor de alcoholwetvergunning; het bestreden besluit wordt op dat punt vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2260
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),
en
De burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, de burgemeester
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de alcoholwetvergunning en de weigering van de exploitatievergunning voor [café] . Eiser is het niet eens met de beslissing van de burgemeester en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de alcoholwetvergunning terecht is ingetrokken en de exploitatievergunning terecht is geweigerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is hersteld. De rechtbank is echter van oordeel dat het besluit van de burgemeester onevenredig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 27 oktober 2023 heeft de politie, in het kader van een postactie naar aanleiding van vermoedens van drugsgerelateerde activiteiten, een controle uitgevoerd in de horeca-inrichting van eiser. Daarbij zijn verdovende middelen aangetroffen. Tijdens de controle was geen leidinggevende aanwezig.
2.1.
Op 27 november 2023 heeft de burgemeester eiser een schriftelijke waarschuwing gegeven wegens overtreding van de Alcoholwet, bestaande uit het ontbreken van een leidinggevende tijdens de exploitatie van de inrichting.
2.2.
Op 5 december 2023 heeft de burgemeester aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van zes maanden wegens overtreding van de Opiumwet.
2.3.
Op 21 december 2023 heeft de burgemeester eiser erop gewezen dat hij niet beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 vanPro de Algemene Plaatselijke Verordening Bergen op Zoom (APV), welke vereist is voor het exploiteren van de inrichting. Eiser heeft op 11 juni 2024 alsnog een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de burgemeester deze aanvraag geweigerd.
2.4.
Naar aanleiding van de weigering heeft de burgemeester ook de aan eiser verleende vergunning op grond van de Alcoholwet beoordeeld. Op 21 november 2024 heeft de burgemeester besloten om deze alcoholvergunning in te trekken.
2.5.
Met het bestreden besluit van 2 april 2025 heeft de burgemeester het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft hij zijn eerdere besluiten in stand gelaten.
2.6.
Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. [1]
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester bijgestaan door [naam] .
2.9.
In een tussenuitspraak van 21 oktober 2025 (de tussenuitspraak) [2] heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een geconstateerd gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De burgemeester heeft in de reactie op de tussenuitspraak in zijn brief van 13 november 2025 een aanvullende motivering gegeven. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd in zijn brief van 5 december 2025. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens is op 14 januari 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Samenvatting van de tussenuitspraak
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de burgemeester de alcoholwetvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken. Verder heeft de rechtbank daarin geconcludeerd dat de motivering van het bestreden besluit over de geweigerde exploitatievergunning en de toelichting daarover op de zitting zien op het (vermeende) slecht levensgedrag van eiser. De burgemeester heeft dit besluit echter genomen, omdat de woon- of leefsituatie of de openbare orde door de exploitatie van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig werd beïnvloed. De rechtbank heeft de burgemeester daarom gevraagd te motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden volgens hem sprake is van een gevaar voor de openbare orde.
Toetsingskader
4. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat heeft de burgemeester gedaan?
6. De burgemeester heeft inhoudelijk gereageerd op de tussenuitspraak van de rechtbank. Daarbij heeft hij gemotiveerd op grond van welke feiten en omstandigheden volgens hem het woon- en leefklimaat en de openbare orde de afgelopen jaren zijn aangetast c.q. verstoord. De burgemeester heeft in het bijzonder meegewogen dat er drugs in de horecaonderneming is aangetroffen en dat er vanuit het café in drugs werd gehandeld. Verder acht hij van belang dat de gemeente diverse meldingen heeft ontvangen over drugshandel vanuit het café, alsmede de locatie daarvan middenin een kwetsbare woonwijk en dichtbij een winkelcentrum.
Wat vindt eiser van de herstelpoging?
7. Eiser heeft in reactie op de herstelpoging van de burgemeester – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de burgemeester in zijn motivering grotendeels herhaalt wat hij eerder aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Enkel de gestelde melding van 11 juli 2024 is nieuw en deze ziet op het vermeend levensgedrag van eiser. Bovendien wordt deze melding door eiser betwist, is de herkomst hiervan niet na te gaan en is deze gedaan toen het café al acht maanden gesloten was.
Wat vindt de rechtbank van de herstelpoging?
8. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester met de nadere motivering het gebrek in het bestreden besluit ten aanzien van de geweigerde exploitatievergunning voldoende heeft hersteld. De burgemeester heeft hierbij vastgehouden aan de weigeringsgrond uit artikel 2:28, derde lid, van de APV, namelijk dat de woon- of leefsituatie of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van het horecabedrijf.
8.1.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester in eerste instantie overwogen dat hij zich met het advies van de adviescommissie (de commissie) kon verenigen. Voor de motivering van zijn besluit heeft hij verwezen naar het advies van de commissie. In haar advies heeft de commissie overwogen dat een leidinggevende verantwoordelijk is voor wat er in een inrichting gebeurt. Hij moet er onder meer voor zorgen dat er voldoende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat in of vanuit de inrichting drugs wordt gedeald. Volgens de commissie heeft eiser niet laten zien dat hij effectieve maatregelen heeft getroffen om drugshandel te voorkomen. De commissie was dan ook van oordeel dat niet kon worden gesteld dat eiser niets te verwijten viel. Het feit dat de inrichting al op grond van de Opiumwet zes maanden gesloten was geweest, deed daar volgens de commissie niet aan af. De inrichting was op dat moment niet meer gesloten en verondersteld mocht worden dat ‘de loop’ eruit was. Volgens de commissie bestond echter terecht de vrees dat onder leiding van eiser de openbare orde opnieuw in gevaar zou komen. In het verleden heeft eiser namelijk de drugshandel in en vanuit zijn café niet tegen kunnen houden en was hij als leidinggevende tekortgeschoten.
8.2.
In de nadere motivering van het bestreden besluit heeft de burgemeester, anders dan in het bestreden besluit zelf, uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de bestuurlijke rapportage die hij op 6 november 2023 van de politie ontving. Hieruit volgt, zoals de burgemeester terecht aangeeft, dat er niet alleen drugs in het betrokken café is aangetroffen, maar ook dat er daadwerkelijk in drugs werd gehandeld vanuit deze horecaonderneming. De politie heeft dit op meerdere momenten, over een tijdsbestek van enkele maanden geconstateerd. De burgemeester heeft in dat kader verder terecht gewezen op de vaste rechtspraak [3] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) dat de aanwezigheid van harddrugs in een voor het publiek openstaande ruimte op zichzelf reeds het risico van negatieve effecten op de openbare orde in zich bergt. De burgemeester was op grond van deze feiten en omstandigheden daarom al bevoegd om de exploitatievergunning te weigeren.
8.3.
Anders dan eiser in zijn nadere reactie naar voren heeft gebracht, kan deze aanvullende motivering van de burgemeester het bestreden besluit wel dragen. Dat hij deze argumenten eerder aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd, maakt dat niet anders. In deze beroepsprocedure staat immers de motivering van de beslissing op bezwaar ter discussie. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak evenmin overwogen dat de burgemeester zich niet langer op argumenten uit het primaire besluit mocht baseren. Voordat de rechtbank een conclusie trekt over de uitkomst van dit beroep, zal zij hierna ingaan op de beroepsgronden van eiser over de strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Zijn de gevolgen van het besluit evenredig?
9. Eiser heeft aangevoerd dat de weigering van de exploitatievergunning en de intrekking van de alcoholwetvergunning onevenredig zijn gelet op de daarmee te dienen doelen. Alleen het onnodige tijdsverloop maakt de besluitvorming volgens hem al onrechtmatig. Eiser wijst erop dat met de eerdere sluiting van het café de openbare orde reeds is hersteld en dat in bijna twintig jaar exploitatie nooit eerder maatregelen nodig zijn geweest. Eiser was niet op de hoogte van enige drugshandel vanuit zijn bedrijf en dit blijkt ook niet uit de bestuurlijke rapportage. Hij huurt alleen het café, niet de achter dat café gelegen tuin/grond. Het huidige besluit betekent dat eiser zijn bedrijfsvoering definitief moet beëindigen na één geïsoleerd incident dat niet aan hem kan worden toegerekend. Eiser stelt verder dat er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn, zoals het verbinden van aanvullende voorschriften aan de vergunning of tijdelijk extra toezicht, die hetzelfde doel kunnen dienen zonder zulke zware gevolgen voor hem en zijn gezin. Door de verstrekkende gevolgen, waaronder het verlies van inkomsten en het aanvragen van een bijstandsuitkering, acht eiser het besluit onevenredig zwaar en niet in overeenstemming met de eisen van zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming.
9.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Volgens de burgemeester is de maatregel noodzakelijk om de openbare orde te beschermen. Hij heeft de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser, waaronder het financiële nadeel voor hem, afgewogen tegen de doelen die hij nastreeft met het weigeren van de exploitatievergunning. Volgens de burgemeester is niet aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en de handel daarin. De drugs zijn namelijk op diverse plaatsen in het café aangetroffen. De burgemeester acht ook de intrekking van de alcoholwetvergunning niet onevenredig, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren. Hij kon vanwege de ernst van de feiten daarom geen rekening houden met twintig jaar ondernemerschap van eiser.
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat zij in r.o. 3.3. van de tussenuitspraak bedoeld heeft te concluderen dat de burgemeester bevoegd was om de alcoholwetvergunning in te trekken in plaats van dat de burgemeester de alcoholwetvergunning terecht heeft ingetrokken. Hierna zal de rechtbank bespreken of de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Daarbij is van belang dat artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Alcoholwet imperatief is geformuleerd. De Alcoholwet is bovendien een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de AbRvS van 1 maart 2023 [4] kan dit wetsartikel daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb of aan het evenredigheidsbeginsel. In die uitspraak heeft de AbRvS uiteengezet dat wel aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [5]
9.3.
De rechtbank overweegt dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken. De rechtbank is met de burgemeester van oordeel dat zijn langdurige ondernemerschap niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. De gevolgen van de intrekking van de alcoholwetvergunning zijn voor eiser ingrijpend, maar vallen binnen hetgeen de wetgever heeft voorzien bij de vaststelling van artikel 31 vanPro de Alcoholwet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet ten aanzien van de intrekking van de alcoholwetvergunning.
9.4
Ten aanzien van de exploitatievergunning overweegt de rechtbank dat er in artikel 2:28, derde lid, van de APV sprake is van een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit. [6] Zoals de AbRvS inmiddels meermalen heeft overwogen, kan tijdsverloop ertoe leiden dat het besluit redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die daarmee worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer (in die mate) aan de orde zijn. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of zijn besluit, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of dit noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is zijn besluit ongeschikt.
9.5
De rechtbank stelt vast dat de politie in de periode van juli 2023 tot en met oktober 2023 heeft waargenomen dat er softdrugs werd verkocht van het café van eiser. In verband hiermee is de horecagelegenheid van 9 december 2023 tot 9 juni 2024 op grond van de Opiumwet gesloten geweest. De burgemeester heeft op 21 november 2024 besloten de door eiser gevraagde exploitatievergunning te weigeren. Dit besluit is dus genomen ruim twaalf maanden nadat de politie de softdrugshandel heeft waargenomen en ruim vijf maanden nadat het café zes maanden gesloten was geweest. In het bestreden besluit van 2 april 2025 heeft de burgemeester overwogen dat verondersteld mocht worden dat de loop eruit was, maar de vrees bestond dat onder leiding van eiser de openbare orde opnieuw in gevaar zou komen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het primaire besluit noch het bestreden besluit het doel van zijn weigeringsbevoegdheid nog niet was bereikt en dat de weigering van de exploitatievergunning een geschikt middel was. De door de burgemeester in zijn reactie op de tussenuitspraak genoemde MMA-meldingen uit 2020, 2021 en 2023 zijn daarvoor niet recent genoeg. De burgemeester heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop dat zich sindsdien heeft voorgedaan. De bij de gemeente ingekomen melding van 11 juli 2024 dat eiser wekelijks tientallen kilo’s drugs op afgelegen plekken en parkeerplaatsen zou verkopen, wat daar ook van zij, houdt geen verband met de omgeving van de betrokken openbare inrichting. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan de bespreking van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de besluitvorming en het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
10.1
Gelet op de in deze einduitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op het bezwaar tegen het weigeren van de exploitatievergunning. De rechtbank zal het bestreden besluit ten aanzien daarvan vernietigen en het beroep voor het overige ongegrond verklaren. De burgemeester moet daarom een nieuw besluit over het bezwaar tegen de geweigerde exploitatievergunning nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
10.2
Omdat de rechtbank het beroep deels gegrond verklaart, heeft eiser recht op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. De burgemeester moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en een schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus gegeven. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 voor de eerste twee proceshandelingen en een wegingsfactor 0,5 voor de zienswijze. In totaal is de vergoeding € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar tegen de weigering van de exploitatievergunning;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar tegen de weigering van de exploitatievergunning;
draagt de burgemeester op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de geweigerde exploitatievergunning met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 10 februari 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Alcoholwet
Artikel 8
1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:
a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c. zij mogen niet onder curatele staan.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.
3. Leidinggevenden beschikken tevens over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne en zijn ingeschreven in het Register sociale hygiëne, genoemd in artikel 11c.
4. De in het derde lid gestelde eis geldt niet voor leidinggevenden voor wier rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, indien die leidinggevenden geen bemoeienis hebben met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd of is verkregen en de vergunninghouder dit in een schriftelijke verklaring bevestigt.
5. Indien een paracommerciële rechtspersoon het horecabedrijf uitoefent, voldoen ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
6. Het eerste lid, onderdeel a, en het derde lid zijn tevens van toepassing op personen die onmiddellijk leidinggeven aan een horecabedrijf of slijtersbedrijf.
Artikel 10
1. Een slijtlokaliteit staat niet rechtstreeks in verbinding met een neringruimte.
2. Een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, heeft ten minste één horecalokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 35 m2. De burgemeester kan besluiten af te wijken van de eerste zin, indien er sprake is van een lokaliteit die is gevestigd in een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
3. Een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend heeft ten minste één slijtlokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m2.
4. Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld aan de minimale verbindingsruimte tussen een slijtlokaliteit en een neringruimte.
5. De bij of krachtens dit artikel gestelde eisen gelden in aanvulling op hetgeen is geregeld bij of krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 31
1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:
a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen;
c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
d. de vergunninghouder in de in de artikelen 30 en 30a, eerste lid, bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.
2. Een vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.
3. Een vergunning kan voorts door de burgemeester worden ingetrokken, indien:
a. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 vanPro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 vanPro voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 vanPro die wet worden gevraagd;
b. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 30a, eerste lid, om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 30a, vijfde lid.
4. Indien een vergunning is ingetrokken omdat is gehandeld in strijd met de voorschriften en beperkingen verbonden aan de vergunning, bedoeld in artikel 4 ofPro 25a, wordt de bevoegdheid om aan de betrokken rechtspersoon een nieuwe vergunning te verlenen opgeschort tot een jaar nadat het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden.
Algemene plaatselijke verordening Bergen op Zoom
Artikel 2:28
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigertPro de burgemeester de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren als de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
3. In afwijking op het bepaalde in artikel 1:8 kanPro de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
4. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning of verleende vrijstelling met betrekking tot die inrichting.
5. Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester indien:
a. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven;
b. een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting.
6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
a. winkel als bedoeld in artikel 1 vanPro de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b. zorginstelling;
c. museum; of
d. bedrijfskantine of – restaurant.
7. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 vanPro de Alcoholwet, als
a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de datum van het verzoek of de ambtshalve beoordeling, geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting of,
b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 ofPro 2:28, tweede of derde lid.
8. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid onder a.