ECLI:NL:RVS:2001:AD4001
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.W.L. Loeb
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Belanghebbenden bij vergunning op grond van Monumentenwet zijn bewoners met rechtstreeks zicht op pand
Bij besluit van 28 juli 1999 verleende burgemeester en wethouders van Amsterdam een vergunning op grond van artikel 11 van Pro de Monumentenwet 1988 voor het veranderen en vergroten van een gebouw op een binnenterrein. Bewoners van een aangrenzend gebouw, die rechtstreeks zicht hebben op het pand, werden door burgemeester en wethouders en de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam niet als belanghebbenden erkend en hun bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
De bewoners stelden in hoger beroep dat zij wel degelijk belanghebbenden zijn, omdat zij rechtstreeks door het besluit worden geraakt. De Raad van State overwoog dat het vereiste van belanghebbende een zekere begrenzing beoogt, maar dat niet alleen eigenaren of zakelijk gerechtigden belanghebbenden kunnen zijn. Bewoners die rechtstreeks zicht hebben op het pand en in een aangrenzend gebouw wonen, kunnen als belanghebbenden worden aangemerkt.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de president voor zover deze de bewoners niet als eisers had aangemerkt en hun beroep ongegrond had verklaard. Het beroep van de bewoners werd gegrond verklaard en het besluit van burgemeester en wethouders om hun bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren werd vernietigd. De vereniging van eigenaren werd niet als belanghebbende erkend. Daarnaast wees de Raad van State het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde burgemeester en wethouders tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de bewoners.
Uitkomst: Bewoners met rechtstreeks zicht op het pand worden als belanghebbenden erkend en hun beroep gegrond verklaard; het besluit van burgemeester en wethouders wordt vernietigd.