ECLI:NL:RVS:2001:AD5963
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E.A. Alkema
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van inbewaringstelling vreemdeling en mandaatverlening hulpofficier
Appellant werd op 8 juli 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld door een hulpofficier van justitie, waarna hij bezwaar maakte tegen de rechtmatigheid van deze maatregel en de mandaatverlening aan de hulpofficier. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de mandaatverlening aan de hulpofficier, zoals geregeld in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, niet in strijd is met de wetgeving en dat de hulpofficier niet ondergeschikt is aan de Minister van Justitie, zodat instemming vereist is maar deze kan blijken uit feitelijke uitoefening van de bevoegdheid. Daarnaast oordeelde de Raad dat het ontbreken van voorafgaande toestemming van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voor de inbewaringstelling niet leidt tot onrechtmatigheid, omdat de belangen in redelijke verhouding stonden tot het gebrek en de IND geen bezwaar maakte.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de Raad het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de inbewaringstelling en de mandaatverlening aan de hulpofficier.