ECLI:NL:RVS:2002:AF2860
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 8 EVRM
Appellanten hebben bij besluiten van 9 november 2001 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie zijn afgewezen. De rechtbank te ’s-Gravenhage heeft het beroep van appellanten tegen deze besluiten op 16 augustus 2002 ongegrond verklaard. Appellanten stelden in hoger beroep dat de afwijzing in strijd was met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor het privé- en gezinsleven beschermt.
De Raad van State overwoog dat de Vreemdelingenwet 2000, met name artikel 29, eerste lid, onder f, een beperkte grondslag biedt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan meerderjarige kinderen die afhankelijk zijn van een vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak kan zich beperken tot de beoordeling van de aangevoerde grieven en deed dat hier, waarbij werd vastgesteld dat appellanten geen omstandigheden aannemelijk hadden gemaakt die een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen.
Verder werd benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep om snelle en doelmatige afdoening van veel zaken mogelijk te maken, waarbij alleen zaken met belangrijke rechtsvragen een uitgebreide behandeling krijgen. Omdat de grieven geen algemene rechtsvragen opriepen, werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.