Uitspraak
200505829/1, kan in een geval waarin aan de totstandkoming van een bouwwerk - bezien vanuit een oogpunt van hinder van omwonenden - zwaarwegende bezwaren zijn verbonden, een (bouw)verbod dat een dergelijk nadeel wegneemt noodzakelijk worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Bij de beantwoording van de vraag of het beoogde bouwwerk onevenredig bezwarend is voor anderen, dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 januari 1996 in zaak nr. H01.95.0253 (Gst. 1996, 7034, 7), aandacht te worden geschonken aan factoren als de afstand van het bouwwerk tot de woningen en de tuinen van omwonenden in relatie tot de hoogte ervan, de vormgeving van het bouwwerk en de aard van zijn omgeving. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in de beslissing op bezwaar en het daarbij gehandhaafde besluit van 24 mei 2005 besloten ligt dat het college het oprichten van de zendmast onevenredig bezwarend heeft geacht voor omwonenden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat, zo uit de zienswijzen, waarnaar in het besluit van 24 mei 2005 wordt verwezen, naar voren is gekomen, het perceel is gelegen op een korte afstand van de percelen van omwonenden en gebleken is dat veel omwonenden de zendmast als hinderlijk ervaren vanwege zijn hoogte. Voorts heeft de rechtbank daarbij terecht in aanmerking genomen dat [appellant a] er zelf voor heeft gekozen in de mast een GSM-installatie te plaatsen voor mobiele telefonie, ten gevolge waarvan de mast hoger is dan noodzakelijk is voor zijn eigen activiteiten.
200701171/1is er geen rangorde tussen de artikelen 15 en 19 van de WRO. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college, na te hebben beoordeeld of gebruik zal worden gemaakt van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 15 van Pro de WRO, niet gehouden was te beoordelen of vrijstelling met toepassing van artikel 19 van Pro de WRO kan worden verleend. Nu bij de beoordeling of vrijstelling kan worden verleend met toepassing van artikel 19 van Pro de WRO, dezelfde belangen zijn betrokken als die welke een rol spelen bij een binnenplanse vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van Pro de WRO, valt niet in te zien welke belangen [appellant a] en T-Mobile hebben bij een beoordeling of vrijstelling kan worden verleend met toepassing van artikel 19 van Pro de WRO.