ECLI:NL:RVS:2008:BD2069
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling procedurele vereisten bij ne bis in idem in vreemdelingenrecht
In deze zaak heeft de staatssecretaris van Justitie hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit tot afwijzing van een aanvraag verblijfsvergunning asiel vernietigde. De kern van het geschil betrof de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in combinatie met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De staatssecretaris klaagde dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet had beoordeeld of de vreemdeling nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd bij de herhaalde aanvraag, voordat werd gekeken naar bijzondere omstandigheden die het ne bis in idem-beginsel zouden kunnen doorbreken. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar tegen Nederland vereist dat nationale procedurele regels worden nageleefd, ook bij risico op strijdige behandeling volgens artikel 3 EVRM Pro.
De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter onjuist had gehandeld door direct in te gaan op de bijzondere omstandigheden zonder eerst te toetsen aan de procedurele vereisten omtrent nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van deze procedurele normen.
De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op €322,00, waarvan de vergoeding door de rechtbank moet worden beslist. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 8 mei 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor herbeoordeling.