Uitspraak
200506616/1zowel in het kader van artikel 8 van Pro de Wvo als in het kader van artikel 10 van Pro de Wvo van toepassing kan worden geacht.
200702764/1, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het beleid van de minister om, indien hij op grond van artikel 10 van Pro de Wvo bevoegd is een verklaring van geen bezwaar in te trekken, van deze bevoegdheid in beginsel gebruik te maken, rechtens onjuist is. Ook acht de Afdeling het uitgangspunt van de minister dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk. Zoals de Afdeling voorts reeds meermalen heeft overwogen, bij voorbeeld in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr.
200705784/1is het niet (langer) kunnen vervullen van de vertrouwensfunctie door de betrokkene die niet (meer) beschikt over een verklaring van geen bezwaar inherent aan het systeem van de Wvo en moeten de daarmee samenhangende belangen van betrokkenen derhalve worden geacht te zijn verdisconteerd in de Wvo. De door [wederpartij] gestelde omstandigheden met betrekking tot de voortzetting van de werkzaamheden na zijn veroordeling en de duur van zijn dienstverband kunnen derhalve niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt dat de minister op grond hiervan van het door hem gehanteerde uitgangspunt had moeten afwijken.