Uitspraak
200706554/1, kan, anders dan Aldi stelt, niet worden afgeleid dat het voldoen aan de uitwerkingsplicht aan een termijn is gebonden. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de geldende bestemming ten gevolge van de in 1993/1994 met vrijstelling verleende bouwvergunningen voor uitbreiding van het winkelcentrum feitelijk is uitgewerkt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat een vrijstelling voor een concreet bouwplan niet kan worden gelijkgesteld met een uitwerkingsplan, waarbij een algemeen geldende detaillering van een globale bestemming van gronden wordt vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het ontwerpbestemmingsplan "Ommoord binnen de ring" niet kan worden aangemerkt als een in voorbereiding zijnde uitwerking met voorafgaande verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, in de zin van artikel 15, derde lid, van de planvoorschriften. Nu derhalve niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vooruitloopregeling van artikel 15, derde lid, van de planvoorschriften, heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het bouwverbod beroepen.
200305561/1- vormen concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging geen in aanmerking te nemen belang, tenzij sprake is van duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Het dagelijks bestuur heeft de weigering voor het bouwplan vrijstelling te verlenen gebaseerd op het detailhandelsbeleid van de deelgemeente Prins Alexander, neergelegd in de, door de raad van de deelgemeente vastgestelde structuurvisie. Daarin is tot uitgangspunt genomen dat in het winkelcentrum een combinatie van drie supermarkten niet de voorkeur heeft, omdat het winkelcentrum dan zou voldoen aan het profiel van een groot wijkwinkelcentrum, hetgeen niet wenselijk wordt geacht. Voorts is daarin geconstateerd dat, naast twee supermarkten, slechts ruimte is voor één discounter. In het winkelcentrum zijn reeds twee supermarkten en één discountsupermarkt gevestigd. Uit de structuurvisie blijkt niet dat vestiging van een derde supermarkt of een tweede discounter leidt tot een ruimtelijk relevante duurzame ontwrichting van het bestaande voorzieningenniveau in het winkelcentrum. Ook overigens is dit niet aannemelijk geworden. Dat de komst van een extra supermarkt of discounter mogelijk tot gevolg heeft dat sommige bedrijven minder zullen omzetten en wellicht zelfs de bedrijfsvoering zullen moeten beëindigen, met leegstand als gevolg, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop kan de verwijzing naar de structuurvisie het besluit bouwvergunning te weigeren niet dragen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.