Uitspraak
200603862/1, omdat daaruit volgens hem valt af te leiden dat zijn planschade op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld. Volgens [appellant] heeft de rechtbank verder ten onrechte overwogen dat hij geen eigen taxatie heeft laten opstellen, omdat hij zich heeft gesteld achter een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van december 2003, dat ter voorbereiding van het primaire besluit van 21 oktober 2004 op verzoek van de gemeenteraad is opgesteld.
200603862/1, waarbij hij geen partij was, verder niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zijn planschade op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld.
200501512/1, dat deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat ingevolge artikel 8:34, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, een deskundige verplicht is zijn opdracht onpartijdig te vervullen. Hiermee verdraagt zich niet dat een gemachtigde daarnaast in dezelfde zaak als deskundige optreedt.
200802629/1) is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de hiervoor vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
200804799/1) vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.
200608140/1) volgt uit de jurisprudentie van het EHRM (onder meer de al aangehaalde uitspraak van 29 maart 2006) dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.