Conclusie
no cure, no pay
1.Overzicht
no cure no paybureaus (ook de belanghebbende drijft zo’n nering, al procedeert hij thans kennelijk nog meer dan anders voor zichzelf) die zich in steeds grotere mate en ten koste van de rechterlijke capaciteit voor serieuzere zaken op WOZ- en bpm-bezwaren en -procedures werpen om op publieke middelen een verdienmodel te bouwen dat in strijd met de bedoeling van de wetgever de vergoedingsbeperkingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) frustreert door ISV te denatureren tot overcompenserende pkv.
Rechtbankzag geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de heffings- en invorderingsambtenaren dat de belanghebbende überhaupt geen recht op vergoeding van invorderingsrente had omdat hij niet om uitstel van betaling had verzocht. De procedure had langer geduurd dan de volgens uw rechtspraak redelijke termijn, maar de Rechtbank zag geen grond voor de veronderstelling dat immateriële schade zou zijn geleden, nu het procesbelang uitsluitend betrof de vaststelling van een door of aan een bestuursorgaan te betalen zeer gering bedrag (minder dan € 15). Zij volstond daarom met de constatering dat de termijn was overschreden.
Hofzag ad (i) niet dat de Rechtbank buiten het geschil zou zijn gegaan, nu zij de vergoede invorderingsrente ad € 1,20, hoewel niet verschuldigd, niet had verminderd. Ad (ii) overwoog het Hof dat geen invorderingsrente wordt vergoed als niet om uitstel van betaling van de aanslag is verzocht (art. 28c Inv.), zoals in casu. Ad (iii): weliswaar waren na indiening van het bezwaar meer dan 2 jaren verstreken ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank, maar het Hof achtte de afwijzing van het verzoek om immateriële-schadevergoeding (ISV) terecht omdat het financiële belang bij het beroep slechts € 0,80 beliep. Griffierecht en mogelijke proceskosten tellen volgens het Hof niet mee bij de bepaling van het financiële belang bij het beroep. Hij verwees daarbij naar een uitspraak van het Hof Den Bosch. [1] Voor zover mogelijke spanning en frustratie bij de belanghebbende niet al was beëindigd met de uitspraak van de rechtbank, kon volgens het Hof volstaan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ad (iv) oordeelde het Hof dat het geenszins zo was dat de belanghebbende door de ruim tijdige standpuntwijziging van de ambtenaar genoopt zou zijn tot het instellen van het ongegronde (hoger) beroep, zodat de Rechtbank terecht geen pkv had toegekend.
cassatiebetoogt de belanghebbende dat bij de vraag of de bagatel-uitzondering op de vooronderstelling van psychisch leed bij termijnoverschrijding (‘zeer gering financieel belang’, i.e. € 15 of minder; zie HR
BNB2017/83 in 6.4 hieronder), ook ‘nevenvorderingen’ meetellen als financieel belang, met name
claimstot vergoeding van griffierecht en ISV.
claimsniet
kunnenmeetellen. Zouden zij wel meetellen, dan wordt die mijns inziens al veel te lage bagatelgrens van € 15
nooitonderschreden. Alleen al het griffierecht is altijd hoger dan € 15 en een ISV-
claimis altijd minimaal € 500 in uw forfaitaire systeem. De bagatelgrens zou volstrekt betekenisloos zijn. Een van de wetgeverlijke oogmerken van griffierecht in bestuursrechtelijke zaken is verder om belanghebbenden een zorgvuldige afweging te laten maken bij de vraag of zij een zaak aan de bestuursrechter voorleggen,
juistin zaken met een gering financieel belang. Het meetellen van griffierecht voor ISV-doeleinden zou ook daar haaks op staan. Het meetellen van pkv-
claimszou er verder toe leiden dat belastingplichtigen die een beroepsgemachtigde inschakelen (die altijd om pkv vraagt) altijd een hoger financieel belang kunnen stellen dan belastingplichtigen die zelf procederen en daarom überhaupt geen pkv-
claimhebben. Het meetellen, tenslotte, van de ISV-claim zelf als financieel belang waarover spanning en frustratie zou kunnen bestaan waarvoor dus opnieuw ISV zou moeten worden geboden (waarover dan ook weer geprocedeerd zou kunnen worden, zodanig lang dat ook daarvoor weer ISV geboden zou moeten worden, waarover weer geprocedeerd zou kunnen worden, enzovoort en zo verder), produceert een in de eigen staart bijtende kurketrekkerredenering, leidende tot een zichzelf voortbrengend altijd-prijs-vergoedingencircus. Bij meetellen van griffierecht-, pkv-, ISV-
claimswordt ook een procedure over een fiscaal belang ad nihil een loterij zonder nieten worden voor pkv- en ISV-jagende grootvermorsers van rechterlijke tijd en moeite die beter aan rechtsbescherming besteed zouden kunnen worden. Zo’n geen-nieten-loterij is wellicht ook hetgeen deze kennelijk schaamteloze belanghebbende wenst.
arrêt de règlementHR BNB 2016/140 (zie 6.3 hieronder) volgde mijns inziens al dat de voor ISV in aanmerking te nemen termijn eindigt als de rechter uitspraak doet over het
fiscalegeschil tussen de belastingplichtige en de inspecteur (“de hoofdzaak”). De termijn loopt dus niet door als de rechter bij de uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek heropent om later nog afzonderlijk uitspraak te doen over eventuele ISV. Wel begint op dat moment een nieuwe (kortere) termijn te lopen specifiek voor die afzonderlijke procedure over ISV.
BNB2017/83 (zie 6.4 hieronder) volgt de ongegrondheid van het cassatieberoep. De belanghebbende in die zaak had griffierecht betaald (€ 124) en kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand gemaakt (u kende een pkv ad € 1.980 toe). U telde het griffierecht en de pkv echter niet mee bij de bepaling van het financiële procesbelang, maar ging juist uit van de door het Hof vastgestelde belastingheffingsbelangen ad in totaal maximaal € 195,65 resp. € 148,69. Ook het Hof had de
claimster zake van pkv, griffierecht en eventuele ISV niet meegeteld.
over de belastingheffingen waarin u oordeelde dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt de spanning en frustratie bij een belastingplichtige
als gevolg vanhet geschil
over de belastingheffingen dat als de rechter na beëindiging van het geschil over de belastingheffing nog moet beslissen op zulke met het procesverloop verband houdende verzoeken, het daarmee gemoeide tijdsverloop geen invloed heeft op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is of moest zijn beëindigd.
obiter dictumaan te sluiten bij de hieronder weergegeven rechtspraak van de feitenrechters, met name bij die van de Rechtbank Midden-Nederland over ISV- en pkv-toekenning in WOZ- en bpm-zaken, vooruitlopend op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, welke wet aansluit bij die rechtspraak van de rechtbanken.
pleitbarefinanciële belang bij de procedure in gevallen waarin een beroepsgemachtigde optreedt; en
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2016/140 [5] in beginsel recht bestaat op ISV, maar dat volgens HR
BNB2017/83 [6] niet verondersteld kan worden dat een lange procesduur spanning en frustratie heeft veroorzaakt als een geschil met een bestuursorgaan alleen een bedrag van hoogstens € 15 betreft. De Rechtbank heeft dus terecht het verzoek om ISV afgewezen, nu het financiële belang in casu € 0,80 beloopt. Dat de belanghebbende griffierecht heeft betaald en mogelijk proceskosten heeft gemaakt, doet geen financieel belang in de zin van HR
BNB2017/83 ontstaan, aldus het Hof, dat daarbij ook verwees naar een uitspraak van het Hof Den Bosch van vorig jaar. [7] Zo de spanning en frustratie niet al is beëindigd door de uitspraak van de rechtbank, kan volstaan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, aldus het Hof. [8]
3.Het geding in cassatie
4.De regels (wetgeving)
no-cure-no-paybedrijven om namens een belanghebbende in WOZ- en bpm-zaken een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende bedoeling om een pkv of ISV te verkrijgen. Hij schreef onder meer:
Er moet wel iets gebeuren
BNB2022/106. Net zoals in het verleden zou in WOZ-zaken dan één feitenrechter over de WOZ-waarde mogen oordelen. Dit zou een verkorting van de procedure met twee jaar betekenen, minder maatschappelijke kosten en bovenal minder proceshandelingen en dus minder proceskosten, aldus Van Brummelen. Daarbij zou dan mogelijk nog een onderscheid gemaakt kunnen worden naar het soort object: voor niet-woningen is het schrappen van één feitelijke instantie wellicht minder wenselijk (vanwege de complexiteit van die zaken) en levert dit ook minder op (het overgrote deel van de WOZ-procedures betreft immers woningen).
BNB2016/140 begint op het moment waarop bezwaar is gemaakt, (hoger) beroep is ingesteld of cassatieberoep is ingesteld.
ARTIKEL I
no cure no pay-gemachtigden het griffierecht vaak voor hun rekening nemen in de verwachting het gerestitueerd te krijgen. De regering verwacht dat uitbetaling aan de belanghebbende zelf tot meer betrokkenheid van en bewustwording bij die belanghebbende leidt. Beoogd wordt ook dat belanghebbenden kritischer kijken naar de machtigingen die zij ondertekenen en de algemene voorwaarden die hen door ncnp-gemachtigden worden voorgelegd:
BNB2022/106 [36] achtte u een eerdere poging van de Besluitgever tot verlaging van de ISV en de pkv in WOZ- en bpm-zaken in strijd met het gelijkheidsbeginsel wegens onvoldoende motivering van het onderscheid met andere zaken. Dat arrest heeft de medewetgever ertoe genoopt uitgebreid in te gaan op de vraag hoe de wet zich verhoudt tot hoger recht, met name het discriminatieverbod en het EU-recht. Het kabinet meent dat WOZ- en bpm-procedures wezenlijk verschillen van de meeste andere bestuursrechtelijke procedures en dat een onderscheid in de hoogte van vergoedingen is gerechtvaardigd:
5.Jaarbericht Raad voor de rechtspraak
no cure no paybureaus in belastingzaken (en Mulderzaken (verkeersovertredingen)) het volgende:
1.6.2 Knelpunten 2022
6.De regels (rechtersrecht)
BNB2014/5 [48] oordeelde u ten overvloede en onder verwijzing naar de geciteerde uitspraak van de Afdeling dat niet verondersteld kan worden dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaak als een “zeer gering financieel belang” betreft, dat u echter niet kwantificeerde:
BNB2016/140 [49] zag u aanleiding een overzicht te geven van uw eerdere arresten over ISV en daar regels aan toe te voegen voor nog niet bij u aan de orde gestelde kwesties die zich met regelmaat in de praktijk voordeden. Het is een lang
arrêt de règlementgeworden. Ik citeer alleen de passages over het “Basisprincipe”, de “Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn” en de “Hoogte van de schadevergoeding,” en ook enikge onderdelen uit het hoofdstuk “De in aanmerking te nemen termijn” omdat die voor onze zaak van belang kunnen zijn:
BNB2014/5 (zie 6.2 hierboven). Het Hof achtte bedragen beneden € 200 zeer gering en andere spanning en frustratie dan over de genoemde bedragen was in geen van beide zaken gesteld of gebleken. Het Hof had daarom volstaan met constatering dat de redelijke termijn was overschreden. Beide belanghebbenden hadden griffierecht betaald (€ 124) en uit uw dicta blijkt dat zij kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand hadden gemaakt (er werd € 1.980 aan pkv toegekend). U telde het griffierecht en de pkv echter niet mee bij de bepaling van het financiële procesbelang, maar ging uit van belangen ad € 195,65 (€ 40,50 + € 12,15 + € 143) resp. € 148,69 (€ 30,78 + € 9,23 + € 108,68). U overwoog als volgt (HR BNB 2017/83):
3.Proceskosten
4.Beslissing
stressover de vraag of hij al dan niet in totaal € 195,65 van drie aanslagen af zou kunnen krijgen. Ik vind dat moeilijk uit te leggen.
BNB2017/83:
NLF2017/0495) becommentarieerde het arrest als volgt:
Belastingblad2017/166) merkte op dat u lijkt aan te sluiten bij een uitspraak van de Afdeling, [52] die een legesbedrag van € 11,34 een zeer gering financieel belang achtte.
FED2017/87) tekende het volgende aan bij de twee arresten:
FutD2017-0481 leest in uw arresten het volgende:
BNB2017/83, waardoor hij niet toekwam aan de vraag of ook nevenvorderingen meetellen bij de bepaling van het financiële belang:
stressover een eventueel rentebedrag ad € 7 of maximaal € 17. Dat is mijns inziens bizar en niet uit te leggen aan de overige belastingbetalers die die vergoedingen moeten bekostigen. Het is mijns inziens overigens precies even bizar als de belanghebbende zelf in plaats van de gemachtigde zo’n bedrag krijgt als overcompensatie van niet-bestaande spanning en frustratie over zo’n non-zaak.
understatementannoteerde Ten Broek (
NTFR2021/1616) dat uit deze zaak blijkt dat uw opvatting over een “zeer gering financieel belang” (€ 15) tot “een enigszins scheve verhouding” kan leiden tussen het procesbelang (maximaal € 28) en de ISV (€ 3.500).
BNB2016/140 (zie 6.3 hierboven) en op HR
BNB2017/83 (zie 6.4 hierboven). De Rechtbank had daarom volgens het Hof ten onrechte het financiële belang als te gering aangemerkt. Het Hof kende daarom alsnog een ISV toe ad € 5.000:
claimsniet kunnen meetellen. Zouden zij wel meetellen, dan wordt uw mijns inziens al veel te lage bagatelgrens van € 15
nooitonderschreden omdat alleen al het griffierecht altijd hoger is dan € 15 en een ISV-
claimals gevolg van uw rechtspraak altijd minimaal € 500 bedraagt. Uw bagatelgrens zou volstrekt betekenisloos worden. Een van de wetgeverlijke oogmerken van griffierecht in bestuursrechtelijke zaken is om belanghebbenden een zorgvuldige afweging te doen maken bij de vraag of zij een zaak aan de bestuursrechter voorleggen,
juistin zaken met een gering financieel belang. [55] Het meetellen van griffierecht voor ISV-doeleinden zou ook daar haaks op staan. Het meetellen van pkv-
claimszou er toe leiden dat belastingplichtigen die een beroepsgemachtigde inschakelen (die altijd om pkv vraagt) altijd een hoger financieel belang kunnen stellen dan belastingplichtigen die zelf procederen en daarom überhaupt geen pkv-
claimkunnen stellen. En het meetellen van de ISV-claim zelf als financieel belang waarover spanning en frustratie zou kunnen bestaan waarvoor dus opnieuw ISV zou moeten worden geboden (waarover dan ook weer geprocedeerd zou kunnen worde, zodanig lang dat ook daarvoor weer ISV geboden zou moeten worden, enzovoort en zo verder), produceert een in-eigen-staart-bijtende kurketrekkerredenering: een zichzelf in stand houdend altijd-prijs-vergoedingencircus. Bij meetellen van griffierecht-, pkv-, ISV-
claimswordt ook een procedure over een fiscaal belang ad nihil een loterij zonder nieten worden voor pkv- en ISV-jagende grootvermorsers van rechterlijke tijd en moeite die beter aan rechtsbescherming besteed zouden kunnen worden. Zo’n geen-nieten-loterij is wellicht ook de aspiratie van deze kennelijk schaamteloze belanghebbende, die in deze zaak als privé-persoon procedeert, maar die u ook bekend zal zijn als gemachtigde van de bedoelde grootvermorsende soort.
arrêt de règlementHR BNB 2016/140 (zie 6.3 hierboven) volgt mijns inziens dan ook het tegendeel van wat dat Hof er uit afleidt: de in aanmerking te nemen termijn eindigt als de rechter uitspraak doet over het
belastinggeschil tussen de belastingplichtige en de inspecteur (“de hoofdzaak”). De termijn loopt dus niet door als de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek heropent om afzonderlijk uitspraak te doen over eventuele vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces. Wel begint op dat moment een nieuwe (kortere) termijn te lopen specifiek voor die afzonderlijke procedure over ISV. Ik hoop overigens dat dat niet betekent dat
no cure no paybureaus ISV’s kunnen gaan stapelen door ook die afzonderlijke ISV-procedures zo lang mogelijk te laten duren.
fiscaal-materiëlebelangen ad in totaal € 195,65 resp. € 148,69 die in drie
aanslagopleggingentot uitdrukking zouden kunnen komen. Ook het Hof had
claimster zake van pkv, griffierecht en eventuele ISV dus niet meegeteld. De vraag of die
claimsmeetellen bij de bepaling van de omvang van het financiële belang lijkt mij een rechtsvraag, zodat u het Hof zou hebben gecorrigeerd in plaats van diens berekening over te nemen als u die vraag anders zou beantwoorden dan het Hof had gedaan, mede gegeven dat die claims een veelvoud bedroegen van het fiscaal-materiële belang.
claimsniet meetellen, volgt mijns inziens nog duidelijker uit het – ná de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden gewezen arrest - HR BNB 2022/137, [57] waarin u overwoog dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt de spanning en frustratie bij een belastingplichtige als gevolg van het geschil
over de belastingheffing(“de hoofdzaak”), die eindigen na een uitspraak die dat geschil beslecht en dat daarmee strookt dat de voor ISV in aanmerking te nemen periode na beëindiging van het geschil
over de belastingheffingniet doorloopt als de rechter nog afzonderlijk moet beslissen op een ISV-verzoek. Het wachten op die afzonderlijke uitspraak leidt niet tot voortzetting van de eerder ondervonden spanning en frustratie over de belastingheffing. Dat geldt ook voor andere verzoeken die niet de hoofdzaak betreffen, zoals pkv-verzoeken. Als de rechter na beëindiging van het geschil over de belastingheffing nog moet beslissen op zulke met het procesverloop verband houdende verzoeken, heeft het daarmee gemoeide tijdsverloop geen invloed op de termijn waarbinnen het geschil
over de belastingheffingis of moest zijn beëindigd:
FutD2021-3341 zag weinig deugd in de in 6.14 geciteerde Hofuitspraak. Zij plaatste in haar commentaar op die uitspraak drie kanttekeningen bij HR
BNB2017/83: (i) de drempel van € 15 wordt bij meetellen van nevenvorderingen
altijdoverschreden, (ii) de omvang van het financiële belang is geen goede indicatie van spanning en frustratie door trage berechting, (iii)
no cure no pay-bureaus die klanten werven om identieke zaken te vergaren, hebben geen klanten die spanning of frustratie ondervinden, en (iv) de disproportionaliteit tussen procesbelang en ISV geeft (haar) een nare smaak in de mond:
7.Art. 6 EVRM Pro
guidelinesvoor de berekening van psychische schade in redelijke termijn- en andere zaken, maar heeft die niet openbaar gemaakt. [66] Het EHRM heeft in de zaak
Ernestina Zullo t. Italië [67] wel factoren genoemd die de hoogte van de vergoeding mede bepalen:
8.De rechtsbasis voor immateriële schadevergoeding bij termijnoverschrijding
fair hearing) omvat ook het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, maar die bepaling geldt niet voor belastinggeschillen waarin geen boete of andere
criminal chargeaan de orde is. In HR
BNB2011/234 [68] baseerde u niettemin, in afwijking van de conclusie die waarschuwde voor een juridisch moeras, een recht op schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting in belastingzaken met een omweg op dat niet-toepasselijke art. 6 EVRM Pro, nl. op het rechtszekerheidsbeginsel dat als ongeschreven algemeen rechtsbeginsel ‘aan artikel 6 van Pro het EVRM mede ten grondslag ligt’ en dat ‘evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van de genoemde bepaling geldt’. Ongetwijfeld geldt dat algemene rechtsbeginsel inderdaad ook binnen de nationale rechtsorde los van art. 6 EVRM Pro; de rechter mag er echter geen formele wetgeving aan toetsen en kan er te minder zelf regelgeving op baseren. U overwoog niettemin:
überhauptniet over enige bezwaarfase, maar alleen over procedures bij een rechter: “In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced ….”.
BNB2011/234 lijkt mij ook moeilijk verenigbaar met de zowel door u als door de Afdeling recent opnieuw herbevestigde uitleg van art. 120 Grondwet Pro dat het de rechter niet toegestaan is om de formele wet aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen te toetsen, [70] laat staan, zo voeg ik toe, om zelf wet te geven, zoals u vervolgens deed in het
arrêt de règlementHR
BNB2016/140 (zie 6.3 hierboven). Mogelijk om die reden hebben de andere bestuursrechters en u de toekenning van ISV bij termijnoverschrijding mede gebaseerd op het in 2013 (behalve voor rijksbelastingen) vervallen art. 8:73 Awb Pro, dat echter alleen bij
gegrondverklaring van een beroep de mogelijkheid bood om eventuele door het vernietigde besluit veroorzaakte schade te vergoeden, en alleen om het
bestuursorgaandaartoe te veroordelen (niet de
staatals
stand invoor de rechterlijke macht), en alleen ‘indien daarvoor gronden zijn’. Bij ongegrondverklaring en bij termijnoverschrijding door de rechter bood die bepaling dus geen basis voor ISV; bij termijnoverschrijding in cassatie te minder, nu art. 8:73 Awb Pro niet gold in cassatie. Ik zou bovendien menen dat er ook bij gegrondverklaring van het beroep niet automatisch ‘gronden’ bestaan voor ISV -
naastvergoeding van rente en proceskosten - in zaken die over minder dan een paar honderd euro gaan of waarin de belanghebbende een rechtspersoon is.
onrechtmatig of niet-tijdig nemen van besluiten door een bestuursorgaan en alleen op veroordeling van dat bestuursorgaan, dat uiteraard niet verantwoordelijk is voor de bewaking door de onafhankelijke rechter van de voortgang van de bij die rechter aanhangig gemaakte beroepen. Ook de gestelde nationaalrechtelijke basis voor ISV in belastingzaken zonder punitief aspect lijkt mij daarom zwak, en in geval van niet-ontvankelijkheid of ongegrondverklaring van het beroep non-existent.
BNB2016/140 gestelde gedetailleerde ISV-regels, met name van uw ongedifferentieerde vergoeding ad € 500 per half jaar termijnoverschrijding ongeacht de feitelijke aan- of afwezigheid van spanning of frustratie bij de belanghebbende, en ongeacht de merites, de (on)gegrondheid of het materiële belang van diens beroep op rechterlijke inspanningen, waarvan hij mogelijk niet eens op de hoogte is als het beroep namens hem is ingesteld door een fout
no cure no paybureau dat machtigingen ronselt.
proceskostenvergoeding door
no cure no paybureaus te beperken door WOZ- en bepaalde Bpm-zaken uit te sluiten van de verhoging per juli 2021 met 40% van de puntwaarde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die verhoging was bedoeld om bestuursorganen sneller te doen beslissen op bezwaarschriften. In HR BNB 2022/106 [72] achtte u die uitzondering voor WOZ- en bepaalde bpm-zaken echter in strijd met het gelijkheidsbeginsel in art. 1 Grondwet Pro omdat de besluitgever het onderscheid tussen die zaken en andere zaken vooral had gebaseerd op klachten en vrees van gemeenten en de belastingdienst dat zij (nog meer) overspoeld (zouden) worden door talloze bezwaarschriften, inzageverzoeken en ingebrekestellingen van
no cure no paybureaus. U achtte die klachten en vrees onvoldoende onderbouwd en daarmee het gemaakte onderscheid onvoldoende gemotiveerd. Dat is opmerkelijk in het licht van het feit dat u zelf uw vooronderstelling van psychische schade, die bovendien € 500 per half jaar zou bedragen bij alle zaken met een materieel procesbelang van meer dan € 15 niet heeft gemotiveerd. Met name uw opmerkelijke oordeel in HR BNB 2014/6 (zie 6.2 hierboven) dat ‘dit uitgangspunt (ook) geldt (…) indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft” moet het geheel zonder motivering doen.
no cure no paybureaus in de kaart speelt en gemeenten terecht klagen c.q. vrezen dat de termijnoverschrijdingen in zaken van de goeden juist
veroorzaaktworden door de sjabloon-verdienmodellen van de kwaden.
no cure no paybureaus niet om met uitzetting bedreigde asielzoekers, geweigerde bouwvergunnningen, voogdijtoewijzingen, gebiedsverboden, ingetrokken of geweigerde uitkeringen, vrijheidsstraffen of TBS.
victimin de zin van het individuele klachtrecht van art. 34 EVRM Pro kan worden beschouwd [75] of zelfs misbruik van het individuele klachtrecht maakt. Te minder kan mijns inziens als
victimbeschouwd worden een groot bedrijf/rechtspersoon die wat langer moet wachten op een uitspraak in een al dan niet opgeklopte bpm-zaak over de waarde van een al dan niet beschadigde tweedehands auto. Ik wijs op art. 35 EVRM Pro (
admissibility criteria), met name op lid 3(b):
Bock v. Germany [76] waarin het EHRM een volgens hem misbruikelijke klacht niet-ontvankelijk verklaarde op grond van art. 35(3) en (4) zelfs al voordat het 14e Protocol met het huidige art. 35(3)(b) in werking trad dat. De verzoeker klaagde over een overschrijding van de redelijke termijn van zijn procedures, die duurden van 20 augustus 2002 tot 29 december 2007, en over het gebrek aan een doeltreffende voorziening in rechte. Het EHRM achtte die klacht misbruik van het klachtrecht, nu vast stond dat de verzoeker de nationale procedures had aangespannen om terugbetaling te verkrijgen van een voedingssupplement ter waarde van € 7,99. Het EHRM wees op zijn overbelasting met
serieuzemensenrechtelijke zaken en op de wanverhouding tussen verzoekers verwaarloosbare procesbelang en diens uitvoerige procederen daarover. Dit soort klagers zijn volgens het Hof juist de
oorzaakvan termijnoverschrijdingen op nationaal niveau door hun verstopping van de rechtspraak, die wél-serieuze rechtszoekenden uiteindelijk nopen om wél serieuze klachten bij het EHRM in te dienen over termijnoverschrijding:
arrêt de règlementHR
BNB2016/140 (zie 6.3 hierboven) mijns inziens de trekken gekregen van uw vroegere kasgeldjurisprudentie: een juridisch en feitelijk moeras van onbekende en ongekende omvang en risico’s waaruit u alleen nog gered kon worden door nieuwe aanmerkelijk-belangwetgeving van de wetgever. Het lijkt mij daarom verstandig om de formele wetgever niet voor de voeten te lopen bij de implementatie van de in onderdeel 4 weergegeven wetgeving.
BNB2022/135 op:
Niet systematisch
9.Opstand der feitenrechters
niet-toekennen van ISV en pkv in sommige zaken bijdraagt aan herstel van vertrouwen van belastingbetalers in de overheid. In concreto voegde hij daaraan in die zaak toe – naast de oordelen dat het om slechts € 15 rente ging en dat resterende rentevorderingen niet relevant zijn voor de termijn als het geschil over de belastingheffing al is beëindigd - dat in die zaak geen spanning en frustratie konden worden verondersteld omdat kennelijk gemachtigde noch belanghebbende waarder hechtten aan behandeling van de (verwaarloosbare) rentezaak binnen een redelijke termijn. De gemachtigde procedeerde vooral omdat hij niet verdraagt dat de voltallige rechterlijke macht het EU-recht anders uitlegt dan hij en hij beschouwde ISV’s en pkv’s daarom als financiële genoegdoening daarvoor.
point d’intérêt, point d’action. Ik ben dat met hem eens op de door hem aangevoerde gronden. De reeds overbelaste belastingrechter moet materieel onzinnige beroepen van
niet-belanghebbenden meteen niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het is bizar dat een persoon die kennelijk om heel andere reden een hekel heeft aan zijn gemeentebestuur en alleen om die andere reden een bij gebrek aan procesbelang evident kansloze WOZ-procedure tegen zijn gemeente voert, toegestaan wordt om publieke middelen en ambtelijke en rechterlijke tijd te vermorsen die aan serieuze beroepen besteed hadden kunnen worden. Ik zou menen dat dat zelfs misbruik van rechtsmiddelen is omdat zij kennelijk alleen ingezet worden om een ander (de gemeente) te benadelen (zie de art. 3:13 en Pro 3:15 BW). De feitenrechter moet volgens HR BNB 2020/12 [86] in een zaak zoals de berechte ook nog de verhuurder/eigenaar ter zitting oproepen. Als die verschijnt, maar de huurder niet, welk antwoord moet de feitenrechter dan geven op diens terechte vraag: “Wat doe ik hier?”
no cure no paygemachtigde – in dat geval in een WOZ-waarderingszaak - kennelijk onredelijk gebruik van rechtsmiddelen en bovendien aanleiding om de belanghebbende/gemachtigde te veroordelen in de proceskosten van de heffingsambtenaar, die in beroep echter – helaas - nihil bleken te zijn:
Rechtbank wijkt af van lijn Hoge Raad over hoogte schadevergoeding in WOZ-zaken
FutD2023-0104 is het met de Rechtbank Midden-Nederland eens dat differentiatie van het forfaitaire bedrag nodig kan zijn, maar meent dat voorkomen moet worden dat bonafide rechtszoekenden gestraft worden met een aftopping van de ISV:
peanutkwesties, ambtelijke vergissingen of bewust traineren door de burger. Het is goed dat de Rechtbank een rem probeert te zetten op situaties waarin belanghebbenden het niet te doen is om een principieel antwoord op de rechtsvraag, maar enkel om het verkrijgen van een proceskostenvergoeding, een dwangsom voor niet-tijdige beslissen en een IMSV voor trage berechting (zoals betoogd in de column "Foutparkeren loont" van hoofdredacteur mr. Monique Ligtenberg van 30 november 2021; zie Fida 20216712), maar het moet niet zo ver gaan dat de belastingrechter de bonafide rechtzoekende straft met een aftopping van de IMSV voor de traagheid van de rechter (of het bestuursorgaan).”
NLF2023/0312) vindt dat de Rechtbank Midden-Nederland een punt heeft, maar vreest voor rechtsonzekerheid:
arrêt de règlementgeprobeerd in rechtszekerheid in eerste aanleg te voorzien; zie 9.25 hieronder.
V-N2023/30.22 merkte bij deze uitspraak op dat zij het zelf niet duidelijker had kunnen opschrijven. Het is volgens haar zeer wenselijk dat u u spoedig uitspreekt over de door de feitenrechters gevolgde nieuwe koers.
arrêt de règlementeen toegespitst forfait uit de grond gestampt, zowel voor de ISV als voor de pkv in die soort zaken. Zij overwoog op 4 september 2023 als volgt over die forfaits in WOZ-woning-zaken:
Overwegingen over de redelijke termijn
zaken over de waardering van woningen op grond van de Wet WOZtot de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) behoort. De rechtbank vindt het belang van een reguliere WOZ-zaak over een woning namelijk beperkter en vindt dit soort zaken ook minder ingewikkeld dan een gemiddelde bestuursrechtelijke zaak. Het belang en de ingewikkeldheid zijn de criteria die het gewicht van de zaak bepalen volgens de toelichting van het Bpb. Dat WOZ-zaken over woningen van minder gewicht zijn komt ook tot uitdrukking in de bestaande zittingsplanning van de rechtbank, waarbij op een reguliere zitting van een halve dag zeven WOZ-zaken worden behandeld, tegenover drie reguliere bestuursrechtelijke zaken.
WOZ-zaken waarin door de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt, behoren tot een gewichtscategorie die een stap onder de categorie ligt die anders zou zijn gebruikt. In WOZ-zaken wordt vaak geprocedeerd door gemachtigden die gebruik maken van een gestandaardiseerde werkwijze, met een algemeen geformuleerd beroepschrift voor vrijwel iedere procedure. Omdat de vergoeding van de proceskosten evenredig moet zijn met de prestatie van de gemachtigde, geeft dat aanleiding om die gevallen van lager gewicht te achten dan zaken waarin geen gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt. Dit betekent het volgende. In WOZ-zaken over de waardering van woningen (waarin als uitgangspunt de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) wordt gehanteerd) zal de rechtbank de categorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) hanteren als een gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt. In overige WOZ-zaken (waarin als uitgangspunt de categorie ‘gemiddeld’ (wegingsfactor 1) wordt gehanteerd) zal de rechtbank de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) hanteren als een gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt.
zaken over niet tijdig beslissen,
zaken over parkeerbelastingenen
zaken waarin het geschil alleen gaat proceskostentot de categorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) behoort. Dit zijn zaakstromen die eerder tot de gewichtscategorie ‘licht’ werden gerekend, maar die naar hun aard lichter van gewicht zijn dan WOZ-zaken over de waardering van woningen. Door deze aanpassing staan de gemiddelde bestuursrechtelijke zaken, de WOZ-zaken en deze drie zaakstromen wat hun gewicht betreft in een juiste verhouding tot elkaar.
10.Nog enige gezichtspunten
arrêts de règlementte wijzen in afwijking van uw
arrêts de règlement, als gerechtshoven de uitkomsten van uw rechtersrecht kwalificeren als “in de samenleving niet meer uit te leggen” en als de regering en de Tweede Kamer het noodzakelijk acht om voor WOZ- en bpm-zaken de
arrêts de règlementvan de rechtbanken te codificeren in plaats van de uwe, is het misschien tijd om uw ISV-rechtspraak tegen het licht te houden, niet alleen bij de WOZ- en bpm-zaken waarvoor de formele wetgever doende is voor de toekomst in te grijpen.
pleitbarestandpunt dat een beroepsgemachtigde inneemt in de procedure; procedeert de belanghebbende zelf of met behulp van een niet-beroeps, dan kan aan de pleitbaarheid van diens feitelijke beweringen en rechtskundige standpunten wellicht geen hogere eis gesteld worden dan die van oprechtheid. In veel van de zaken waarin gemachtigden optreden die een verdienmodel hebben gemaakt van toekenning van pkv, ISV en dwangsommen, is het (feitelijk en rechtskundig pleitbare) materiële belang veel kleiner dan die vergoedingen en dwangsommen waarop de gemachtigde speculeert. Met het maximeren van de ISV op het pleitbare financiële belang bij de procedure vervalt de belangrijkste perverse prikkel voor verdienmodellen die niet hun al dan niet geronselde klanten maar zichzelf bedienen.
nietblind verondersteld worden, maar moet enigszins aannemelijk zijn, met name als het pleitbare materiële belang weinig of niets voorstelt en een
no cure no paygemachtigde optreedt waarvan aannemelijk is dat hij machtigingen ronselt van belanghebbenden die geen idee hebben wat hij op hun naam uitspookt.
nietautomatisch dat die huurder enig procesbelang heeft bij die beschikking; zie de gemene bijlage bij de conclusies van mijn ambtgenoot Pauwels in de bij u aanhangige zaken met rolnummers 22/04590 en 22/04591.
nietautomatisch significant genoeg om enige vergoeding voor een lange procesduur te rechtvaardigen, laat staan een vergoeding van een veelvoud van € 500. Het is mijns inziens omgekeerd: alleen in uitzonderlijke gevallen kan in zaken waarin het pleitbare materiële belang onder de € 100 ligt een hogere vergoeding wegens traagheid gerechtvaardigd zijn dan die € 100, bijvoorbeeld als het om een principiële rechtsvraag gaat, althans een rechtsvraag.
égalité devant les charges publics, omdat zeer ongelijke gevallen over één kam worden geschoren, de kwaden profiteren ten koste van de goeden en van de publieke middelen, en automatische toekenning kan leiden tot volstrekt onevenredige overcompensatie, zoals blijkt uit de in 6.11 en 6.14 hierboven geciteerde uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden.
arrêt de règlementHR BNB 2016/140 kennelijk helemaal niet eenvoudig uitvoerbaar, zoals onder meer blijkt uit de niet mis te verstane woorden van het Hof Den Bosch (zie 9.23 hierboven) en van Albert in BNB 2022/135 (zie 8.18 hierboven), en (ii) die uniformiteit blijkt onhoudbaar oneerlijk; het rechtsgevoel en de genoemde beginselen eisen dringend op zijn minst
enigedifferentiatie van vergoedingen naar de mate van verschil tussen de gevallen.
no cure no paybureau. Het heeft geen zin om gemeenten voor te houden dat zij hun zaken beter op orde moeten brengen om bezwaren sneller te kunnen afdoen en als prikkel daartoe hoge vergoedingen bij termijnoverschrijding toe te kennen aan foute ncnp-gemachtigden als dat tijdig afdoen die gemeenten onmogelijk wordt gemaakt juist
doordie hoge vergoedingen (en dwangsommen), die foute vergoedingen- en dwangsommenjagers aantrekken, waardoor een zichzelf in stand houdend vertragings- en vertragingsvergoedingsstelsel ontstaat. Hoe meer bezwaren en beroepen en ingebrekestellingen, hoe meer verstopping en vertraging, hoe meer en hoe hogere vergoedingen en dwangsommen wegens die verstopping en vertraging, hoe meer de vergoedingen- en dwangsommenjagers daar op af komen, hoe meer bezwaren en beroepen en in gebrekestellingen zij indienen, enzovoort en zo verder. De feitenrechters zijn daardoor steeds minder bezig met het materiële recht en de rechtsbescherming waar ze voor bedoeld zijn, en steeds meer met
managenvan eindeloze stromen klachten en
claimster zake van rente, proceskosten, dwangsommen en niet-bestaande immateriële schade ingediend door gemachtigden die geen boodschap hebben aan het recht of de rechtsbescherming, maar alleen aan hun op gemeenschapsgeld drijvende verdienmodel. [123]
détournement des moyens publicsdie teleologisch geweigerd zou moeten kunnen worden. Met de Rechtbank Den Haag (zie 9.3 hierboven) en anders dan HR
BNB2017/150, [124] meen ik dat het bij voorbaat afzien van een eventuele ISV ten gunste van een ncnp-gemachtigde impliceert dat die belanghebbende geen last heeft van psychische schade, maar van proceskosten. De ISV neemt in die gevallen immers geen eventuele
stressover de zaak weg, maar eventuele
stressover de proceskosten van de zaak.
obiter dictum: