Uitspraak
200607461/1, is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken.
200803230/1/V6, brengt het evenredigheidsbeginsel met zich dat niet alleen de mate van verwijtbaarheid aanleiding kan vormen voor matiging van een opgelegde boete, maar ook de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan.
200805916/1/V6is deze wijziging van belang voor het antwoord op de vraag, in hoeverre in voorkomend geval de hoogte van de opgelegde boete in verhouding staat tot de ernst van de overtreding. Uit het besluit van 29 april 2008 blijkt niet dat de minister deze wijziging heeft betrokken bij het bepalen van de evenredigheid van de boete.