Uitspraak
200505728/1vaststaat dat de bouw van de woning op het perceel [locatie 2] mogelijk was, ook in combinatie met de bestaande chauffeurswoning op het perceel [locatie 1]. Het college stelt zich op het standpunt dat het juridisch niet mogelijk was en is twee hoofdgebouwen op het bouwperceel te realiseren. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het college, in het kader van de belangenafweging bij de beslissing om al dan niet vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen, het belang van [wederpartij] om de chauffeurswoning in de oorspronkelijke staat terug te brengen en de omstandigheid dat de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan "Zuidduinen 1982" (hierna: het bestemmingsplan) door het college zelf is gecreëerd, heeft meegewogen.
200410140/1) is in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, ter voldoening aan een rechterlijke uitspraak, waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om een belanghebbende vóór het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Uit het verslag van de hoorzitting van 20 november 2007 blijkt dat op de door [wederpartij] naar voren gebrachte bezwaren voldoende is ingegaan. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Awb op grond waarvan het college [wederpartij] in de gelegenheid had moeten stellen opnieuw te worden gehoord. Het betoog faalt.
200308309/1) is daarmee de bouwvergunning uitgewerkt.
200408290/1en 11 juli 2007 in zaak nr.
200607157/1) moet, nu het begrip bijgebouw noch in artikel 20 noch Pro elders in het Bro is gedefinieerd, aansluiting worden gezocht bij de in de jurisprudentie terzake ontwikkelde criteria. Volgens deze vaste jurisprudentie moet onder bijgebouw worden verstaan een gebouw dat in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw en daarvan bouwkundig is te onderscheiden. Van functionele ondergeschiktheid van het met het bouwplan voorziene gebouw aan de woning [locatie 2] is geen sprake, nu dit gebouw wordt verbouwd ten behoeve van het gebruik als afzonderlijke woning.
200602654/1 en 200604018/1) geen grondslag biedt voor de verlening van vrijstelling die ertoe strekt een ander gebouw (geheel of gedeeltelijk) te verbouwen tot woning.