ECLI:NL:RVS:2010:BN1161
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste beoordeling plausibiliteit vermoeden vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 28 januari 2009 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde dit besluit op 4 augustus 2009 gegrond en vernietigde het, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de beoordeling door de staatssecretaris van de geloofwaardigheid en plausibiliteit van het asielrelaas en het vermoeden van de vreemdeling over de risico's die hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staan. De staatssecretaris had zich beperkt tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas en het vermoeden als ongeloofwaardig beoordeeld, zonder de plausibiliteit daarvan adequaat te toetsen.
De Raad van State oordeelde dat het vermoeden van de vreemdeling een aan het asielrelaas ontleend vermoeden is over de situatie bij terugkeer en dat de staatssecretaris verplicht was dit vermoeden op plausibiliteit te toetsen en te beoordelen of het voldoende zwaarwegend is voor verlening van de verblijfsvergunning. Het besluit van 28 januari 2009 ontbrak deze beoordeling, waardoor het besluit in strijd was met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval de minister van Justitie tot vergoeding van proceskosten. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.