Uitspraak
200906565/1/H1), is voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), slechts plaats indien een vrijstellingsbepaling een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid zonder enige beperking. Nu wat de toepassingsmogelijkheden betreft van de binnenplanse ontheffing, geregeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, ten opzichte van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid, geregeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, geen wijziging is beoogd, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien anders te oordelen over de mogelijkheid om een planvoorschrift betreffende een binnenplanse ontheffing buiten toepassing te laten.
200906565/1/H1. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat door de vestiging van een erotische massagesalon de aard van het bedrijventerrein in planologische zin verandert. De bij de bepaling gegeven bevoegdheid is evenmin onbeperkt, aangezien de voorwaarde wordt gesteld dat het bedrijf aan zogenoemde selectiecriteria in verband met de milieugevolgen moet voldoen alvorens het college ontheffing kan verlenen en de ontheffing daarmee voldoende objectief begrensd is.