Uitspraak
200606713/1) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 26, thans artikel 25, van de Paspoortwet, dat de mededeling van een vermelding van een persoon in het register op het moment dat een geregistreerde een aanvraag doet voor een reisdocument pas gevolgen heeft, indien blijkt dat de gronden tot weigering of vervallenverklaring na een hernieuwde marginale toetsing zodanig zijn dat, naar de mening van de verstrekkende autoriteit, tot weigering zou moeten worden overgegaan (Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, blz. 49-50). Gelet hierop is de vermelding van een persoon in het register door de minister niet gericht op rechtsgevolg en kan derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hieruit volgt dat de afwijzing van het verzoek tot verwijdering van de vermelding van een persoon uit het register evenmin als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De afwijzing van het verzoek tot verwijdering van de personalia van een betrokkene uit het register heeft niet het rechtstreeks effect dat aan deze persoon geen paspoort mag worden verstrekt en is derhalve niet gericht op rechtsgevolg. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat indien ten aanzien van de aanvrager van een reisdocument gronden bestaan om de aanvraag af te wijzen, de tot afgeven van dat document bevoegde instantie op grond van artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet bevoegd is af te wachten of de aanvrager overeenstemming weet te bereiken met de autoriteit bij wie de gronden bestaan om dan alsnog tot afgifte van het gevraagde reisdocument over te gaan of om een reisdocument te verstrekken met beperkte geldigheid. Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd doet aan het bovenstaande niet af, nu deze omstandigheden niet maken dat de afwijzing van het verzoek om verwijdering van haar personalia uit het register is gericht op enig rechtsgevolg.