ECLI:NL:RVS:2024:1436
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van paspoortsignalering en rechtsbescherming appellant
Appellant verzocht de minister van Financiën om opheffing van een paspoortsignalering wegens onterechte naheffingsaanslagen inkomstenbelasting. De minister wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat de paspoortsignalering wel rechtsgevolg heeft, omdat een paspoortaanvraag kan worden geweigerd op grond van die signalering.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de beslissing van een verzoekende instantie om een verzoek te doen tot signalering een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, waardoor bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen onrechtmatige signaleringen mogelijk wordt. De feitelijke registratie in het Register is dat niet. De Afdeling vernietigt het eerdere besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de redelijke termijn voor afdoening van het geschil is overschreden en veroordeelt zij de Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. De Afdeling bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. Hiermee wordt de rechtspositie van personen met een paspoortsignalering versterkt en wordt het systeem van paspoortsignaleringen verduidelijkt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de minister vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met bestuursrechtelijke rechtsbescherming.