Uitspraak
200302882/1en
201007813/1/H3, waarin de Afdeling onderscheidenlijk op 18 februari 2004 en 9 maart 2011 uitspraak heeft gedaan, aangetroffen in een ander pand dan het pand waarin de coffeeshop is gevestigd. De burgemeester was volgens [appellant] niet bevoegd ter zake handhavend op te treden. De panden zijn op geen enkele wijze met elkaar verbonden en uit niets blijkt dat de coffeeshop vanuit het pand aan de [locatie 2] werd bevoorraad, zodat dat pand ook niet kan worden gezien als een pand dat deel uitmaakt van de coffeeshop, aldus [appellant]. Gelet hierop had de burgmeester op grond van zijn beleid thans in ieder geval met niet meer kunnen volstaan dan een waarschuwing. [appellant] voert verder aan dat de voorzieningenrechter eveneens ten onrechte heeft overwogen dat de op 24 februari 2011 in de auto aangetroffen softdrugs mochten worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop. De auto, die op het perceel van een derde stond, maakt geen deel uit van de coffeeshop en de coffeeshop werd evenmin bevoorraad vanuit de auto. Er is volgens [appellant] geen enkele relatie tussen de aldaar aangetroffen softdrugs en de coffeeshop, hetgeen bevestiging vindt in de door hem afgelegde verklaring dat de in zijn auto aangetroffen drugs van een leverancier waren. Voorts kunnen het strafdossier en de daarin opgenomen processen-verbaal van bevindingen volgens [appellant] niet als bewijs dienen in deze procedure omdat de verbalisanten hebben nagelaten hem de cautie te verlenen en hem in strijd met de Salduzjurisprudentie niet in de gelegenheid hebben gesteld zijn raadsman eerst te consulteren. Deze handelwijze zal bij verdere vervolging gaan leiden tot bewijsuitsluiting, aldus [appellant]. Hij beroept zich op vaste jurisprudentie, waarbij is bepaald dat onrechtmatig verkregen bewijs niet is toegestaan als het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
201000947/1/H3), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, hetgeen betwisting in rechte evenwel niet uitsluit. Daarbij is de maatstaf of het geleverde tegenbewijs van zodanige aard en strekking is dat het twijfel wekt aan de juistheid van het proces-verbaal.
200910265/1/H3), strekt een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van Pro de Awb, waarmee wordt opgetreden tegen schending van verboden, neergelegd in de Opiumwet. Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling mag de toepassing van bestuursdwang slechts strekken tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zoals geconstateerd door de burgemeester. Indien toepassing van deze bevoegdheid in een concreet geval verder zou strekken, zou de sanctie niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben en derhalve als een strafsanctie moeten worden beschouwd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Gelet op het bestuursrechtelijke karakter van het sluitingsbevel kan het Salduz-arrest geen rol spelen in deze zaak. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het bewijs verkregen bij de controle op 24 februari 2011 onrechtmatig is verkregen, overweegt de Afdeling dat in het bestuursrecht zodanig bewijs slechts dan niet is toegestaan, indien het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Nog daargelaten of er daadwerkelijk sprake is van bewijs waarvan de strafrechter zou aannemen dat het onrechtmatig is verkregen, is van de hier bedoelde handelwijze van de overheid in dit geval niet gebleken.