ECLI:NL:RVS:2011:BR3779
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging bij toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie op 29 juli 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de minister bevoegd is om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, maar niet verplicht is beleidsregels vast te stellen voor de nadere invulling van de criteria. Wel moet de minister in elk individueel geval motiveren waarom sprake is van een uitzonderlijke situatie of niet, en daarbij de belangen van de vreemdeling, inclusief familie- en gezinsleven zoals beschermd onder artikel 8 EVRM Pro, expliciet meewegen.
In deze zaak heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de vreemdeling, die familieleden in Nederland heeft en geen familie meer in het land van herkomst, niet tot een verblijfsvergunning leidt. De Raad van State vernietigt het besluit en het vonnis van de rechtbank, en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van de juiste belangenafweging.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en belangenafweging.