ECLI:NL:RVS:2019:973
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J. van Eck
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier bij opvolgende asielaanvraag
De staatssecretaris verklaarde een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit te nemen, stellende dat de staatssecretaris niet bevoegd was ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen bij een opvolgende asielaanvraag.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000 hem een algemene bevoegdheid geeft tot ambtshalve vergunningverlening, ook bij opvolgende asielaanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderschreef deze uitleg en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
Vervolgens oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris in zijn besluit van 29 augustus 2018 voldoende heeft gemotiveerd waarom het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zoals langdurig verblijf, familiebanden, gezondheid en maatschappelijke integratie.
Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde dat het algemeen belang om te voorkomen dat Nederland een vluchthaven wordt voor personen die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen, zwaarder weegt dan de individuele belangen van de vreemdeling in deze zaak.
Uitkomst: De staatssecretaris is bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen bij opvolgende asielaanvragen; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.