Uitspraak
200802001/1) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dat het bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Dit betekent dat het bestuursorgaan het besluit, voor zover het door het bezwaarschrift wordt bestreden, moet heroverwegen en moet nagaan of dit tot een voor de indiener gunstiger resultaat leidt. Leidt de heroverweging tot een voor de indiener ongunstiger resultaat, dan is dat alleen toelaatbaar indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn. Artikel 7:11 van Pro de Awb verzet zich er in zo'n geval niet tegen dat een zodanige wijziging bij het besluit op het bezwaarschrift wordt bewerkstelligd.
200805053/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Bij besluit van 30 september 2009 is het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien omdat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat kosten van kinderopvang zijn gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat [appellant] hangende de procedure niet de gevraagde gegevens aan de Belastingdienst heeft overgelegd. Hetgeen [appellant] heeft betoogd, rechtvaardigt niet de conclusie dat op voorhand redelijkerwijs twijfel mogelijk was dat de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat aan genoemde maatstaf om af te zien van het horen is voldaan.