Uitspraak
200908650/1/H3en 20 oktober 2010 in zaak nr.
201002947/1/H3.
200703887/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag van een inwoner voor een bewonersparkeervergunning af omdat hij beschikte over een parkeerplaats in een parkeergarage die volgens het college als parkeerplaats op eigen terrein gold. De rechtbank verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de parkeergarage niet exclusief voor bewoners bestemd was en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere bewoners in de buurt wel een vergunning hadden.
Het college stelde in hoger beroep dat de parkeergarage onderdeel uitmaakt van het bouwblok en bedoeld is als parkeervoorziening voor het wooncomplex, conform de bouwvergunning en de Bouwverordening. De Raad van State oordeelde dat de parkeergarage inderdaad als parkeerplaats op eigen terrein moet worden beschouwd, ook al is het adres van de aanvrager niet expliciet in de bouwvergunning vermeld. Het feit dat ook derden parkeerplaatsen kunnen huren doet hieraan niet af.
De klachten over bereikbaarheid en veiligheid van de garage bleken onvoldoende zwaarwegend om af te wijken van het beleid. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de aanvrager ongegrond verklaard. Tevens werd het besluit tot verlening van een vergunning op bezwaar vernietigd omdat de grondslag daarvan was komen te vervallen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van de aanvrager ongegrond; het besluit tot afwijzing van de parkeervergunning wordt bevestigd.