ECLI:NL:RVS:2012:BV1581
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende afweging bij asielaanvraag
Op 20 maart 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de minister geen concrete belangenafweging had gemaakt nadat de vreemdeling zijn wens tot het indienen van een asielaanvraag kenbaar had gemaakt. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling door zijn kenbaar gemaakte wens om asiel aan te vragen als asielzoeker moet worden beschouwd volgens de Procedurerichtlijn. De bewaring had krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 moeten plaatsvinden, niet onder lid a. De minister had de vereiste afweging met betrekking tot het toepassen van de bewaring in relatie tot de asielaanvraag niet tijdig gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en tijdige belangenafweging bij het opleggen van vreemdelingenbewaring aan asielzoekers.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig en het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard.