ECLI:NL:RVS:2012:BW7962
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel Oeigoerse vreemdeling wegens ontbreken reëel risico schending art. 3 EVRM
De vreemdeling, een Oeigoer, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 26 november 2011 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat uit diverse stukken, waaronder een thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken en brieven van Amnesty International en VluchtelingenWerk Nederland, blijkt dat Oeigoeren die in het buitenland asiel hebben aangevraagd, bij terugkeer naar China een reëel risico lopen op mishandeling en schending van artikel 3 EVRM Pro. Tevens voerde zij aan dat een andere Oeigoerse vreemdeling die een verblijfsvergunning ontving, bewijs levert dat terugkerende Oeigoeren onder bijzondere surveillance van de Chinese staatsveiligheidsdienst staan.
De Raad van State oordeelde dat de stukken onvoldoende aantonen dat het verblijf in het buitenland of het asielverzoek op zich al een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert. De minister had dit besluit deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast werden nieuwe stukken die na de bestreden uitspraak waren ingediend niet in behandeling genomen, omdat deze niet in eerste aanleg waren ingebracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Oeigoerse vreemdeling tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.