Uitspraak
201101503/1/H2), is voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor de verzoeker voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang.
Raad van State
Appellant verzocht om een tegemoetkoming in planschade wegens verlies aan uitzicht, privacy en waardevermindering van zijn woning door de bouw van een woon-zorgcomplex op nabijgelegen gronden. Het college wees dit verzoek af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college ten onrechte bij de vergelijking tussen het oude bestemmingsplan 'Het Bosje' en het besluit tot vrijstelling van 19 september 2007 is uitgegaan van een maximale invulling van de bestemming 'uit te werken woongebied'.
De Afdeling legt uit dat bij de beoordeling van planschade niet mag worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van uitwerkingsregels van het bestemmingsplan, omdat dit zou betekenen dat een uitwerkingsplan nooit als oorzaak van planschade kan gelden. Dit is in strijd met de Wro en het overgangsrecht. Daarom is het hoger beroep gegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Desalniettemin verklaart de Afdeling het beroep van appellant ongegrond omdat vaststaat dat de bouw en ingebruikname van het woon-zorgcomplex niet in strijd was met de uitwerkingsregels en dat ten tijde van de aankoop van de woning de planologische wijziging voorzienbaar was. Appellant kon dus geen aanspraak maken op tegemoetkoming. De Afdeling gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat geen nadelige planologische wijziging is vastgesteld die recht geeft op tegemoetkoming in planschade.