ECLI:NL:RVS:2013:224
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering en behoud rechtsgevolgen
De minister vaardigde op 8 augustus 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het inreisverbod. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de vreemdeling mondeling haar zienswijze mocht geven vanwege de spoedeisendheid en samenhang met het terugkeerbesluit. De Afdeling stelde vast dat de vreemdeling voldoende gelegenheid had gekregen om haar individuele omstandigheden naar voren te brengen, waaronder haar huwelijk met een Nederlandse man.
Echter oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris naliet te motiveren waarom deze individuele omstandigheden geen aanleiding gaven om het inreisverbod te beperken of te schrappen, hetgeen strijdig is met artikel 3:46 van Pro de Awb. Daarom werd het besluit vernietigd. Uit het dossier bleek dat de vreemdeling aangaf te willen scheiden, waardoor het gezinsleven niet langer werd voortgezet. Dit rechtvaardigde het behoud van de rechtsgevolgen van het besluit. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.