Uitspraak
200804872/1/V6. De rechtbank heeft volgens de minister miskend dat hij, anders dan in het geval dat aan de orde was in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2009 in zaak nr.
200804283/1, derhalve deugdelijk heeft gemotiveerd dat de financiële situatie van de vennootschap geen aanleiding geeft de boete te matigen. Voorts voert de minister aan dat de rechtbank heeft miskend dat de vennootschap en [bedrijf] twee onderscheiden rechtspersonen zijn en de vennootschap heeft gesteld dat [bedrijf] de haar opgelegde boete zal betalen.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient hij de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig vast te stellen dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
201202163/1/V6, is de minister op grond van het evenredigheidsbeginsel verplicht de opgelegde boete te matigen indien deze de beboete werkgever, gelet op diens financiële situatie, bezien in het geheel van de zich voordoende omstandigheden, onevenredig treft. Deze verplichting geldt ook indien de boete niet de oorzaak van die financiële situatie is. De rechtbank is de minister dan ook terecht niet gevolgd in zijn standpunt dat, nu de boete niet de oorzaak van de financiële situatie van de vennootschap is, die financiële situatie geen aanleiding geeft de opgelegde boete te matigen.