Conclusie
eerste middelklaagt dat verdachte niet schuldig had mogen worden geacht aan het verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland in de jaren 2011 en 2012, althans dat hem ter zake van deze feiten geen straf had mogen worden opgelegd. Het gaat om een rechtsklacht waarin centraal staat aan welke ingangsdatum de vijfjaarstermijn van het inreisverbod ingevolge de Terugkeerrichtlijn is gebonden. De klacht berust op de opvatting dat Nederlandse ongewenstverklaringen die zijn opgelegd en in werking zijn getreden vóór 25 december 2010 gelet op artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, zijn gebonden aan de maximale duur die daarin aan de inreisverboden is gesteld. Dit zou voor de ongewenstverklaring van de verdachte betekenen dat deze niet meer als grondslag voor bestraffing zou kunnen dienen indien zij langer dan vijf jaar voorafgaand aan deze datum is uitgevaardigd en in werking getreden. 25 december 2010 is de datum dat de Terugkeerrichtlijn had moeten zijn omgezet. Aan Nederlandse ongewenstverklaringen die vijf jaar vóór 25 december 2010 zouden zijn uitgevaardigd, zou met ingang van die datum alle rechtsgevolgen moeten worden ontzegd tenzij de duur van de ongewenstverklaring vóór die datum is vastgesteld of had kunnen worden vastgesteld op een langere duur dan vijf jaren omdat de betrokken vreemdeling een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid zoals is bedoeld in art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn Pro. Het in het bestreden arrest besloten liggende andersluidende oordeel van het hof zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende zijn gemotiveerd.
- de ongewenstverklaring van verdachte van 23 oktober 2002, die hem op 17 april 2003 is uitgereikt behelst een inreisverbod zoals bedoeld in art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn Pro;
- dit inreisverbod is vóór 25 december 2010, de datum waarop de implementatietermijn voor de Richtlijn verstreek dan wel vóór 31 december 2011, de datum waarop de Terugkeerrichtlijn in Nederland is omgezet, niet vastgesteld op een bepaalde termijn langer dan vijf jaren op grond van de overweging dat verdachte een ernstige bedreiging zou vormen voor de openbare orde;
- het HvJ EU heeft in de zaak Filev en Osmani zijn oordeel niet beperkt tot inreisverboden die ter gelegenheid van uitzetting zijn opgelegd of inreisverboden die zijn gevolgd door een daadwerkelijk verlaten door de betrokken vreemdeling van het grondgebied van de lidstaat;
- bij de maximale duur van een inreisverbod moet rekening worden gehouden met het tijdvak voordat de richtlijn van toepassing is geworden, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan het doel van art. 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn;
- als gevolg hiervan geldt voor alle rechtsgevolgen van “overjarige” inreisverboden voor zover die meer dan vijf jaren vóór 25 december 2010 dan wel 31 december 2011 zijn opgelegd, dat daaraan met ingang van die datum alle rechtsgevolgen moet worden ontzegd behalve als er sprake is van een ernstig bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid;
- het voorgaande geldt temeer nu art. 66, vierde lid, Vreemdelingenwet, dat bepaalt dat de duur van een inreisverbod wordt berekend met ingang van de datum van vertrek uit Nederland, ten tijde van de omzetting van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011 nog niet bestond, zodat het geen rechtsgevolgen kan hebben voor oude ongewenstverklaringen;
- deze rechtsgevolgen kunnen op grond van overweging 55 van de uitspraak van het HvJ EU in de zaken Filev en Osmani ook niet herleven omdat dit een verslechtering van de situatie van de betrokken vreemdeling zou meebrengen;
- de conclusie is dat ongewenstverklaringen die meer dan vijf jaar vóór 25 december 2010 (dan wel 31 december 2011)
Het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EU
acte éclairé) of de toepassing van gemeenschapsrecht “zo evident” is, “dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan” omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost (
acte clair). [8] Daarbij legt het HvJ EU de lat blijkens overweging 16 van het CILFIT-arrest hoog, door te overwegen:
acte clairmag dus niet al te snel worden aangenomen en er moet volgens het CILFIT-arrest rekening worden gehouden met de verschillende taalversies van het Verdrag, de eigen terminologie van het Europese recht en de context van de bepaling waar het om gaat.
kan blijken. Of dat in het individuele geval ook zo is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval en moet daarom voor ieder individu afzonderlijk worden beoordeeld. Het hof heeft daarover in de onderhavige zaak niets vastgesteld en de beoordeling van individuele feiten en omstandigheden is niet aan de cassatierechter.
acte clairof
acte éclairé, zal ik eerst de stand van zaken in het internationale en nationale kader dat nodig is om de ongewenstverklaring van verdachte te kunnen kwalificeren, kort uiteenzetten. Daarbij is het goed om in het achterhoofd te houden dat het in onderhavige zaak om een zogenoemde derdelander gaat en niet om een EU burger of daarmee gelijk te stellen persoon, zodat de Terugkeerrichtlijn op hem van toepassing is [12] en dat de ongewenstverklaring van verdachte is gedateerd op 22 oktober 2002. Deze is dus langer dan vijf jaar voordat de Nederlandse implementatiewet van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011 in werking is getreden en ook langer dan vijf jaar voordat de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn op 24 december 2010 was verstreken, uitgevaardigd.
De Terugkeerrichtlijn
Is een “oude” ongewenstverklaring gelijk te stellen met een inreisverbod?
acte clairof
acte éclairéten aanzien van de vraag die in het cassatiemiddel centraal staat, namelijk of op grond van hetgeen het HvJ EU in de zaken Filev en Osmani voor recht heeft verklaard, moet worden aangenomen dat de ongewenstverklaring die ten aanzien van verdachte is uitgevaardigd geen rechtskracht meer heeft omdat de termijnen die hierop ingevolge art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn Pro van toepassing zijn, zijn verstreken.
De aanvang van de duur van het inreisverbod
de vertrekplicht[onderstreping AG] van de vreemdeling. Het inreisverbod zal in veel gevallen worden toegepast in samenhang met andere op terugkeer gerichte maatregelen. Dat volgt al uit de definitie, op grond waarvan er geen inreisverbod kan bestaan zonder terugkeerbesluit. Een inreisverbod wordt als regel uitgevaardigd
nadat de vreemdeling de vertrektermijn heeft overschreden of wanneer er gronden aanwezig zijn hem een vertrektermijn te onthouden[onderstreping AG]. In vrijwel alle gevallen heeft de vreemdeling een of meer kansen gehad Nederland uit eigen beweging te verlaten, en ook na uitvaardiging van het inreisverbod zal hij – door onmiddellijk te vertrekken – in beginsel de kans hebben Nederland te verlaten zonder zich schuldig te maken aan een strafbaar feit. Ook wil ik nogmaals benadrukken dat er in het voorliggende wetsvoorstel ruimte blijft voor schrijnende individuele gevallen. In het voorgestelde artikel 66b, eerste lid, Vw2000 wordt ruimte geboden aan de minister om het inreisverbod op te heffen als er schrijnende persoonlijke omstandigheden spelen.
zowel bij het inreisverbod als bij de ongewenstverklaring[onderstreping AG], gaat om de strafbaarstelling van niet-naleving van een persoonsgericht, bij beschikking tegen een vreemdeling uitgevaardigd verbod om Nederland in te reizen
dan wel in Nederland te verblijven[onderstreping AG]. Alleen in dit opzicht wijkt strafbaarstelling van overtreding van het inreisverbod (en van verblijf in weerwil van ongewenstverklaring) al af van de in het regeerakkoord aangekondigde, voor een ieder geldende strafbaarstelling van illegaal verblijf als zodanig.” [22]
acte clairof
acte éclairé.
de gevolgenvan een inreisverbod voor onbepaalde tijd dat is opgelegd vóór de datum waarop de betrokken lidstaat richtlijn 2008/115 had moeten omzetten, langer worden gehandhaafd dan de in deze bepaling vastgestelde maximale duur van een dergelijk verbod, die in beginsel vijf jaar bedraagt."(onderstreping sw [raadsman, AG]) Het hof onderscheid hier niet meer in de aard van de (rechts)gevolgen die aan de orde kunnen zijn.
de duurvan een inreisverbod gerelateerd moet worden aan de datum dat de betrokkene daadwerkelijk gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit en het land heeft verlaten. Ik kan dit ook niet lezen in art. 11 lid 3 van Pro de Richtlijn, dat betrekking heeft op de intrekkings- of schorsingsmogelijkheid van een uitgevaardigd inreisverbod.
vervolgensverblijven, of gaat het om inreizen
en/ofverblijven?
binnen te komen en aldaar te verblijven[onderstreping AG], welk verbod is
opgelegd[onderstreping AG] meer dan vijf jaar vóór ofwel de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land opnieuw die lidstaat is binnengekomen, ofwel de datum waarop de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn in werking is getreden,[..]”
opgelegdmeer dan vijf jaar vóór beide mogelijke data, hetgeen ook suggereert dat het moment van uitvaardiging van het verbod voor de geldigheidsduur relevant is.
Filev en Osmaniwaarin het Hof spreekt van een inreisverbod dat is opgelegd en vastgesteld. Een langere termijn dan vijf jaar is niet uitgesloten, maar onderhevig aan de aanvullende eis dat de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.[2.] [29] De tekst van artikel 11 lid 2 en Pro de definitie van artikel 3 lid 6 van Pro de Richtlijn gaan er van uit dat een inreisverbod van 5 jaar een uitzonderlijk maximum vormt. Een vreemdeling die tijdens het inreisverbod nog in de EU verblijft doet daarmee niet het inreisverbod teniet, maar schendt zijn verplichting terug te keren. Nergens in Richtlijn 2008/115 en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Hof van Justitie is maar enige indicatie te vinden dat er buiten de specifieke in artikel 11 lid 2 genoemde Pro redenen nog andere gronden zijn die een inreisverbod langer dan vijf jaar van kracht mogen laten zijn.”
acte clairhoudt het HvJ EU in verband met de eenvormige toepassing van het recht van de Europese Unie eveneens rekening met de interpretatie van de betrokken richtlijn in andere lidstaten. [33] In dat verband heb ik aan een aantal collega’s van hoogste gerechten in de EU de vraag voorgelegd op welke wijze de ingangsdatum van het inreisverbod in de implementatiewetgeving van de Terugkeerrichtlijn van de betrokken lidstaat is vorm gegeven. Het is bij lange na geen EU-brede inventarisatie, maar de antwoorden op de vraag leveren het beeld op dat de wijze waarop de aanvang van de vijfjaarstermijn in Nederland is geregeld niet evident uit de Terugkeerrichtlijn voortvloeit. Ik geef hieronder de informatie weer die uit Frankrijk, België, Tsjechië en Duitsland is verkregen.
The setting of the time limit shall take due account of whether the foreigner has left the federal territory voluntarily and in good time. The time limit shall begin when the person concerned leaves the federal territory.[onderstreping AG] No time limit shall be applied if a foreigner has been deported from the federal territory on account of a crime against peace, a war crime or a crime against humanity, or on the basis of a deportation order pursuant to Section 58a. The supreme Land authority may permit exemptions from sentence 7 in individual cases.
acte clairof
acte éclairéover de vraag op welk moment de vijfjaarstermijn ingevolge art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn Pro van een inreisverbod, of daarmee gelijk te stellen ongewenstverklaring, conform de Richtlijn aanvangt. Overigens geldt dat mutatis mutandis ook voor de langere termijnen die kunnen worden vastgesteld als er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, zoals bedoeld in art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn Pro. Dat noopt naar mijn mening tot het stellen van een prejudiciële vraag hierover, voordat op het cassatieberoep in onderhavige zaak kan worden beslist.