ECLI:NL:RVS:2013:CA0168
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- S.F.M. Wortmann
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking exploitatievergunning coffeeshop wegens ernstig gevaar op strafbare feiten
De burgemeester van Den Haag trok op 19 juli 2011 de exploitatievergunning van een coffeeshop in vanwege ernstig gevaar dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit besluit werd ondersteund door een advies van het Bureau Bibob, dat op basis van informatie van politie, OM en Justitieel Documentatie Systeem ernstige vermoedens constateerde van betrokkenheid van de appellant en zijn broers bij overtredingen van de Opiumwet en andere strafbare feiten.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant voerde onder meer aan dat het advies van het Bureau niet zorgvuldig tot stand was gekomen, dat hij geen volledige inzage kreeg en dat er geen hoor en wederhoor was toegepast. Ook betwistte hij het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband met zijn broers en stelde dat de intrekking onevenredig was.
De Raad van State oordeelde dat het bestuursorgaan zich op het zorgvuldig tot stand gekomen advies mocht baseren en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn zienswijze kenbaar te maken. Het bestaan van het zakelijk samenwerkingsverband werd bevestigd op basis van arbeidsovereenkomsten, verklaringen en processen-verbaal. De ernst en samenhang van de strafbare feiten rechtvaardigden de intrekking van de vergunning. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het betoog dat de intrekking onevenredig was, faalden eveneens.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarmee de intrekking van de exploitatievergunning definitief werd gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de exploitatievergunning van de coffeeshop wordt bevestigd wegens ernstig gevaar op strafbare feiten.