ECLI:NL:RVS:2014:1980
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot huurtoeslag wegens partner zonder rechtmatig verblijf
Appellante verzocht om voorschot huurtoeslag voor 2012, maar de Belastingdienst weigerde dit omdat haar partner geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Amsterdam werd het besluit gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Appellante stelde dat de weigering in strijd was met artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat zij zonder partner wel recht op huurtoeslag zou hebben.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het koppelingsbeginsel, neergelegd in artikel 9, tweede lid, van de Awir, een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt om huurtoeslag te weigeren aan personen met een partner zonder rechtmatig verblijf. De Afdeling stelde vast dat geen positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro voortvloeit om huurtoeslag te verstrekken en dat de bijzondere omstandigheden die appellante aanvoerde onvoldoende waren om van de koppelingsregel af te wijken.
De Afdeling bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt de rechtmatigheid van het koppelingsbeginsel en de beperkte ruimte voor uitzonderingen daarop.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van voorschot huurtoeslag bevestigd.