ECLI:NL:RVS:2014:910
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering en niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. Het besluit van 25 april 2012, gewijzigd op 3 juli 2012, wees de aanvraag af, legde een inreisverbod op en beval onmiddellijke vertrek uit Nederland.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk is omdat het inreisverbod rechtsgevolgen heeft die het belang van de vreemdeling bij dat deel van het besluit uitsluiten. De Afdeling toetst het overige besluit en oordeelt dat de staatssecretaris terecht op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aannam dat de vreemdeling persoonlijk en wetens heeft deelgenomen aan misdrijven tegen de menselijkheid via zijn rol binnen de Baath-partij.
Verder oordeelt de Afdeling dat het beroep tegen het inreisverbod gegrond is omdat de staatssecretaris bij het bepalen van de duur van het inreisverbod geen rekening heeft gehouden met individuele omstandigheden van de vreemdeling, zoals zijn ziekte en lopende aanvraag verblijfsvergunning. Het besluit wordt op dat punt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk en het inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, met inachtneming dat de rechtsgevolgen in stand blijven.