ECLI:NL:RVS:2016:1286
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing verblijfsvergunning jongvolwassene met Marokkaanse nationaliteit
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een jongvolwassene met Marokkaanse nationaliteit tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond verklaarde. De vreemdeling verblijft sinds zijn derde levensjaar zonder verblijfsrecht in Nederland bij zijn rechtmatig verblijvende oma. De staatssecretaris had het bezwaar ongegrond verklaard en een inreisverbod opgelegd.
In hoger beroep stond centraal of de afwijzing in strijd was met artikel 8 van Pro het EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privéleven beschermt. De staatssecretaris stelde dat hij de belangenafweging deugdelijk had gemotiveerd, waarbij hij onder meer rekening hield met de duur van het verblijf, banden met Nederland en het land van herkomst, en criminele antecedenten van de vreemdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de staatssecretaris zijn standpunt onvoldoende had gemotiveerd, met name ten aanzien van de weging van de sterke banden van de vreemdeling met Nederland en de beperkte banden met Marokko, en de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de vernietiging van het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.