ECLI:NL:RVS:2014:1775
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering vrijstelling mvv-vereiste wegens schending privéleven vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 5 april 2013 werd afgewezen. De daaropvolgende bezwaarprocedure leidde eveneens tot afwijzing, waarna de vreemdeling beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de weigering van vrijstelling van het mvv-vereiste. De vreemdeling stelde dat zij sterke banden met Nederland heeft, aangezien zij sinds haar achtste onafgebroken in Nederland verblijft. Zij voerde aan dat het verblijf zonder geldige verblijfsvergunning niet haar keuze was, maar die van haar moeder, en dat dit geen risico op misbruik oplevert. Tevens stelde zij dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom weigering van vrijstelling geen schending van haar recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro) zou zijn.
De staatssecretaris beriep zich op het ontbreken van een verblijfsvergunning die het privéleven mogelijk maakte, het feit dat de vreemdeling ook banden met Suriname heeft en dat de gevolgen van het verblijf in Nederland onvoldoende zwaarwegend zijn. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte niet de jeugdige leeftijd en langdurige verblijfsduur van de vreemdeling had betrokken in de belangenafweging, en dat de motivering onvoldoende was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot weigering van vrijstelling van het mvv-vereiste wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 8 EVRM.