ECLI:NL:RVS:2016:1971
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening voorschot kinderopvangtoeslag en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellante maakte in 2009 gebruik van kinderopvang via een gastouderbureau en ontving daarvoor voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst herzag deze voorschotten omdat zij van mening was dat appellante geen eigen bijdrage had betaald vanwege een schenkingsconstructie met het gastouderbureau, waardoor zij geen recht had op toeslag. De rechtbank vernietigde het besluit tot afwijzing van het bezwaar wegens schending van hoor en wederhoor, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel degelijk kosten had betaald en dat de afwijzing van haar schadevergoeding onterecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante onvoldoende had aangetoond de volledige kosten te hebben voldaan, waardoor het besluit tot herziening terecht was. Wel was de redelijke termijn overschreden omdat de Belastingdienst het bezwaarprocedure had aangehouden in afwachting van een vergelijkbare zaak, maar de totale duur van de procedure was langer dan redelijk was, waardoor appellante recht had op een vergoeding.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het verzoek om schadevergoeding afwees en veroordeelde de Belastingdienst tot betaling van een vergoeding van € 500,00 plus rente, proceskosten en griffierecht. De rest van de uitspraak bleef in stand, waardoor appellante het teveel ontvangen voorschot moet terugbetalen.
Uitkomst: De Belastingdienst wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het besluit tot herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag in stand blijft.