ECLI:NL:RVS:2016:2022
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen en vaststelling lagere boete
De minister legde de vennootschap een boete van €36.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap ongegrond, maar de vennootschap ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de minister de boete terecht oplegde omdat de vennootschap als werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen moest worden aangemerkt. De verklaring van een vreemdeling die werkte zonder vergunning werd als betrouwbaar beschouwd, ondanks betwisting door de vennootschap.
De Raad stelde vast dat de minister de boete onterecht had vastgesteld op €36.000, omdat het boetenormbedrag was verlaagd naar €8.000. Hierdoor werd de boete herzien tot €24.000. Verder werd geoordeeld dat de vennootschap volledig verwijtbaar was en dat de boete niet onevenredig hoog was, ondanks de financiële situatie van de vennootschap.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vennootschap gegrond verklaard en het boetebesluit van de minister herroepen. De Raad stelde zelf het boetebedrag vast en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vennootschap.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het boetebesluit en stelt de boete vast op €24.000.