ECLI:NL:RVS:2017:1025
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De minister legde de maten een boete van €48.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door Roemeense vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, herzag de boete naar €32.000 en stelde dat haar uitspraak in de plaats trad van het vernietigde besluit. De maten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of sprake was van een grensoverschrijdende dienstverrichting waarbij geen tewerkstellingsvergunning vereist is. Uit verklaringen van vreemdelingen en betrokkenen bleek dat de maten daadwerkelijk toezicht en leiding uitoefenden over de arbeidskrachten, wat duidt op terbeschikkingstelling van arbeidskrachten en niet op een zuivere dienstverrichting. Jurisprudentie zoals Vicoplus en Martin Meat werd toegepast om dit te beoordelen.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de dienstverrichting bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en dat de eis van een tewerkstellingsvergunning terecht was gesteld. Wel werd de boete gematigd met 50% vanwege persoonlijke omstandigheden van de maten, waaronder hun leeftijd, het staken van de bedrijfsvoering en het ontbreken van recidivegevaar. De boete werd vastgesteld op €16.000 en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen is verminderd naar €16.000.