ECLI:NL:RVS:2016:416
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 7 februari 2014 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling, die verblijf wilde bij haar moeder met een verblijfsvergunning asiel, stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beoordelingskader had toegepast door de aanvraag als een asielaanvraag te behandelen, terwijl het ging om een aanvraag verblijfsvergunning regulier. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en toetste het besluit opnieuw aan de relevante wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen.
De Afdeling concludeerde dat de staatssecretaris terecht het verzoek tot mvv had afgewezen, mede gelet op het beperkte gezinscontact en het ontbreken van financiële bijdrage door de referente. Hoewel het besluit niet volledig gemotiveerd was ten aanzien van het IVRK en het Handvest, werd dit gebrek gepasseerd omdat de vreemdeling hierdoor niet benadeeld was. Het beroep werd ongegrond verklaard. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.