ECLI:NL:RVS:2016:501
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P. Vermeulen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit nihilstelling zorgtoeslag en kindgebonden budget wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel
Appellant, met een gezin bestaande uit drie kinderen en een echtgenote van Angolese nationaliteit, kreeg in 2014 voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen stelde deze toeslagen bij besluit van 21 juni 2014 en 28 maart 2015 op nihil, omdat de echtgenote vanaf 5 maart 2014 geen rechtmatig verblijf in Nederland zou hebben volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant gegrond voor de periode 1 januari tot 5 maart 2014 vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar liet de periode daarna buiten beschouwing. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank niet volledig heeft beslist over het gehele geschil.
De Afdeling oordeelt dat appellant recht heeft op zorgtoeslag en kindgebonden budget voor de periode 1 januari tot 1 april 2014, omdat de echtgenote in die periode rechtmatig verbleef. Voor de periode van 1 april tot 31 december 2014 is het standpunt van de Belastingdienst juist dat appellant geen recht heeft op deze tegemoetkomingen, omdat de echtgenote geen rechtmatig verblijf had. Het beroep op het EVRM en het IVRK faalt, omdat de uitsluiting proportioneel is en het kindgebonden budget en zorgtoeslag niet tot het bestaansminimum behoren.
De Afdeling vernietigt het besluit van 28 maart 2015 en beveelt de Belastingdienst/Toeslagen een nieuw besluit te nemen waarbij appellant zorgtoeslag en kindgebonden budget wordt toegekend voor de periode 1 januari tot 1 april 2014. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de toeslagen worden toegekend voor de periode 1 januari tot 1 april 2014.