ECLI:NL:RVS:2017:133
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Raad van State inzake hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 1 november 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft op 29 november 2016 het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat bij omzetting van de bewaring van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, naar onderdeel b van dezelfde wet geen sprake is van een nieuwe maatregel, maar van voortduren van de reeds opgelegde bewaring. Dit betekent dat het beroep moet worden opgevat als gericht tegen het voortduren van de bewaring, waarop artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is.
Omdat tegen een uitspraak op grond van artikel 96, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat bij de Afdeling, verklaarde deze zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.