ECLI:NL:RVS:2017:2070
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging huurtoeslag wegens ontbreken zelfstandige woonruimte
Appellant huurde in 2014 en 2015 woonruimte in Rotterdam en ontving daarvoor huurtoeslag. De Belastingdienst beëindigde de huurtoeslag per 1 januari 2014 en stelde de voorschotten voor 2014 en 2015 op nihil, omdat appellant geen zelfstandige woonruimte huurde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant stelde dat hij een zelfstandige woonruimte huurde met eigen toegang, badkamer, toilet en keuken, en dat het een onvrije etage betrof waarvoor huurtoeslag mogelijk is. De Raad van State toetste dit aan de definitie van zelfstandige woonruimte volgens artikel 7:234 BW Pro en de Wet op de huurtoeslag. Uit de overgelegde stukken, waaronder huurovereenkomsten, plattegrond en verklaringen, bleek niet dat appellant exclusief gebruik had van de essentiële voorzieningen of dat de woonruimte afsluitbaar was.
De verklaringen waren niet voldoende onderbouwd en de plattegrond gaf geen objectief bewijs van zelfstandigheid. Ook het vertrouwensbeginsel kon appellant niet baten, omdat eerdere toekenningen van huurtoeslag niet automatisch recht geven op latere jaren. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van de huurtoeslag wegens het ontbreken van een zelfstandige woonruimte.