ECLI:NL:RVS:2017:2250
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2008-2009
Appellante verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009, nadat eerdere besluiten de toeslag op nihil hadden vastgesteld. De rechtbank vernietigde het besluit van 5 februari 2016 wegens schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt recht te hebben op toeslag.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de Afdeling niet onafhankelijk zou zijn en dat de Belastingdienst onder curatele stond, wat niet werd gehonoreerd. Tevens stelde zij dat de Belastingdienst niet bevoegd was tot herziening wegens overschrijding van termijnen en dat zij voldoende bewijs had geleverd, waaronder overeenkomsten met het gastouderbureau.
De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst pas tot herziening overgaat indien op grond van feiten en omstandigheden blijkt dat de toeslag te laag is vastgesteld. Appellante had onvoldoende bewijs geleverd dat de toeslag ten onrechte op nihil was vastgesteld, mede omdat de overgelegde overeenkomsten niet aan de wettelijke eisen voldeden en niet tijdig waren aangeleverd. Ook ontbrak bewijs van betaling van de kosten.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat het verzoek tot herziening terecht was afgewezen en de Afdeling bevestigt deze uitspraak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.