ECLI:NL:RVS:2017:864
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- B.P. Vermeulen
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking marktvergunning wegens kennelijke onredelijkheid en onevenredige gevolgen
Appellant had marktvergunningen voor standplaatsen op de Haagse Markt. Het college trok deze vergunningen in na een bestuurlijke boete voor overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door de vof waarvan appellant vennoot is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelt dat het college de overtreding van de vof aan appellant als vergunninghouder mocht toerekenen. De intrekking van de vergunningen is een bestuurlijke maatregel en geen straf, zodat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is. Wel is vastgesteld dat de intrekking grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft voor appellant, die al ruim veertig jaar actief is op de markt en afhankelijk is van de inkomsten daarvan.
Gezien de omstandigheden, waaronder het ontbreken van bemoeienis van appellant met de overtreding en de forse impact van de intrekking, is toepassing van de intrekking kennelijk onredelijk. Daarom wordt het besluit van het college vernietigd en wordt het beroep van appellant alsnog gegrond verklaard. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de marktvergunningen wordt vernietigd wegens kennelijke onredelijkheid en onevenredige gevolgen voor appellant.