ECLI:NL:RVS:2017:399
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatie luchtvaartpassagiers volgens Verordening 261/2004
Appellanten hebben de staatssecretaris verzocht handhavend op te treden tegen ArkeFly wegens het niet betalen van compensatie voor een vertraagde vlucht volgens Verordening 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af met het argument dat sprake was van buitengewone omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellanten geen actueel belang meer hadden, aangezien ArkeFly alsnog compensatie had betaald.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak en oordeelt dat appellanten wel belang hebben bij beoordeling, onder meer vanwege de afwijzing van proceskostenvergoeding. Vervolgens behandelt de Afdeling het beroep inhoudelijk en bevestigt eerdere uitspraken dat de staatssecretaris niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden om compensatie af te dwingen van luchtvaartmaatschappijen.
Appellanten voerden diverse argumenten aan, waaronder interpretaties van de Verordening en wetsgeschiedenis, maar de Afdeling volgt de eerdere jurisprudentie en het arrest van het Hof van Justitie. Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen. Wel wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.